Orgelbouwnieuws

Budel, r.-k. parochiekerk van Onze Lieve Vrouw Visitatie
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2013/01]

 


In 1856 verrees in Amsterdam de Adventkerk, bedehuis van de Waalse Gemeente. Ruim vijftig jaar begeleidde een harmonium de gemeentezang.
In 1909 zag een orgelcommissie het licht, gesteund door predikant E.A. Giran, studiegenoot van Albert Schweitzer. Architect H.A.J. Baanders ontwierp een orgelfront, balkon en onderbouw in 1910. De firma Dalstein & Haerpfer (Elzas) kreeg de opdracht het nieuwe orgel te maken. Het contact met de Elzasser orgelmaker werd gelegd via Giran. In die jaren onderhield de firma nauwe banden met Albert Schweitzer, die de principes van de Orgelreform promootte. De orgels van Dalstein & Haerpfer ademden dan ook sterk de geest van deze beweging. De orgelmaker monteerde het instrument met 23 registers voor Amsterdam in zijn werkplaats. Na goedkeuring volgde transport naar en opbouw in Amsterdam, waar het 25 december 1912 werd ingewijd. Mede door opnames en uitzendingen van de AVRO en later de NCRV, genoot het instrument grote bekendheid.

In 1948 werkte de firma Spanjaard aan het orgel en verving bij die gelegenheid de pneumatische tractuur door een elektropneumatische.
Verder vernieuwde Spanjaard de speeltafel, alsmede de windvoorziening, de windladen van de manuaalwerken en de frontpijpen. In plaats van de Violon 8’ van het Pedaal kwamen er een Octaaf 8’ en Octaaf 4’ (als transmissies van de Contrabas) en een Gedekt 8’ (transmissie van de Subbas 16’).
Rond 1960 vonden onderhoudswerkzaamheden plaats door Fonteyn & Gaal en in 1986 technisch herstel door H.B. Scheuerman. Het orgel bleef daarbij ongewijzigd.
Inmiddels was in 1952 het kerkgebouw verkocht aan het kerkgenootschap der Zevendedags Adventisten.

In 1989 veranderde het gebouw opnieuw van eigenaar en dreigde er sloop voor het orgel.
Orgelmakerij Gebr. Reil uit Heerde kocht het instrument aan en sloeg het op. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kende het instrument bescherming toe in 2005. Na verschillende onderzoeken voor herplaatsing vond men uiteindelijk een bestemming in de kerk van Onze Lieve Vrouw Visitatie in Budel.

In juli 2007 tekenden de parochie en orgelmaker Reil een overeenkomst voor restauratie en plaatsing van het instrument. Reil bouwde het orgel op in Budel tussen oktober 2010 en februari 2011. De feestelijk ingebruikneming vond plaats op 3 juli 2011. Het traject stond onder advies van Rudi van Straten namens de RCE, Marcel Verheggen, en Rogér van Dijk namens de KKOR.

Voor de parochie in Budel is het Dalstein & Haerpfer-orgel het derde instrument op rij. Broekhuyzen vermeldde rond 1850 in zijn dispositieverzameling een instrument met achttien stemmen, afkomstig uit Brussel.
Orgelmaker Verschueren plaatste in 1940 een nieuw orgel met vijfentwintig registers, waarvan zeven reserveringen die nooit zijn gerealiseerd. Reeds lang voor de demontage verkeerde dit instrument in slechte staat.

Als uitgangspunt voor de restauratie en herbouw van het orgel van Dalstein & Haerpfer gold de situatie aangetroffen voor de demontage in Amsterdam.
Zo werden de laden van 1948 en daarmee de elektropneumatische tractuur gehandhaafd. Men respecteerde op deze wijze een groot deel van de geschiedenis van het instrument. De handhaving past bovendien in de geest van de Orgelreform, die in principe geen enkele tractuur afwees of bevoordeelde.
In Budel is met het oog op de koorzangers op het oksaal de onderkas naar achteren verplaatst, en minder diep en iets hoger gemaakt dan hij in Amsterdam was. De bovenkas kon daardoor zover naar voren komen dat het pijpwerk in de torens aan de zijkanten van de kas voor de stenen boog staan. De bovenkas is ongewijzigd hersteld. Een speciaal probleem vormden de blauwe glazen parels en kralen in het metalen sierwerk van het front (zie foto op de achterzijde van dit nummer), waarvan een aantal verdwenen of beschadigd was. De Londense firma Nostalgic Glass leverde replica’s. De massief eiken kas is gewaterbeitst en in de boenwas gezet. Het koperen sierwerk bovenaan de pijpvelden en torens bleek uit onderzoek door Bert Jonker voorzien te zijn geweest van een goudkleurige afwerking; die is nu gerealiseerd in messingverf. De parochie vervaardigde in eigen beheer een houten podium met niveauverschillen ten behoeve van de zangers.



De speeltafel kreeg nieuwe registerknoppen, voettreden, claviatuur, pedaal, drukknoppen in de klavierlijst, bakstukken, balanstreden, bank en lessenaar naar voorbeelden van orgels van Dalstein & Haerpfer in Sundhouse, Westhoffen en Bitche (Frankrijk). De originele console, knopjes voor de vrije combinatie (aangevuld met vijf nieuwe) en de aanwijzer voor het Generaal Crescendo bleven gehandhaafd.
Bij de registerbenamingen waren de bewaard gebleven Kostenanschlag van Dalstein & Haerpfer en correspondentie van Arie Bouman bepalend en waar deze van elkaar afweken, voorbeelden van andere instrumenten van Dalstein & Haerpfer. Verwarrend was de vermelding in de Kostenanschlag van een suboctaafkoppel voor het Grand Orgue en de omissie van het Appel Grand Orgue en een knop voor Tutti. Uit onderzoek bleek dat de suboctaafkoppel er nooit is geweest, de twee andere speelhulpen wel. Bij de recente restauratie is een voettrede toegevoegd waarmee de balanstrede voor het Generaal Crescendo uitgeschakeld wordt; deze bevindt zich direct naast de balanstrede voor de zwelkast, hetgeen bij het spelen tot ongewenste effecten kan leiden.
De speeltafel is op verzoek van de parochie aan de zijkant links op het oksaal dwars op de balustrade geplaatst.
De omschrijving van de speeltafel luidt als volgt: de console is van eiken, de bakstukken van palissander. De ondertoetsen zijn met been belegd, de boventoetsen met ebben. Het pedaalklavier, de lessenaar en de bank zijn van eiken; de boventoetsen zijn voorzien van palissander opdikken. In de klavierlijst onder het eerste manuaal bevinden zich de zeven knoppen voor de verschillende functies (van links naar rechts): Appel G.O., Comb. G.O., Comb. R., Comb. P., Réunion, Inter en Tutti.
Met het Appel G.O. worden alle ‘getrokken’ registers van het Grand Orgue in één keer in- of uitgeschakeld. De knoppen van de Comb. G.O., Comb. R. en Comb. P. bedienen de gedeelde vrije combinatie, de knop ‘Réunion’ verenigt deze drie vrije combinatieknoppen. Met de knop ‘sInter’ wordt bepaald of de schakelaars van de handregisters en vrije combinatie tegelijk in werking zijn (ingedrukt) of afwisselend (niet ingedrukt). De Tutti-knop schakelt de sub- en superkoppels niet in. De registerwippers bevinden zich in een horizontale rij boven de handklavieren; die van het Grand Orgue zijn wit, van het Récit roze en van het Pédale groen. De namen zijn in zwarte inkt gegraveerd op witte ronde porseleinen plaatjes met gouden bies. De kunststof knopjes van de vrije combinatie vormen een tweede horizontale rij.
Daarboven is de aanwijzer van het Generaal Crescendo geplaatst.

Reil plaatste een nieuwe ventilator in een grenen dempkist en voegde een grote bestaande en gerestaureerde magazijnbalg met in- en uitslaande vouw uit eigen voorraad toe. De bestaande drie mahonie regulateurbalgen zijn opnieuw beleerd. In de kanalisatie naar ieder werk kwam een grenen schokbalg.
De windladen zijn hersteld: pakkingen vernieuwd alsmede de wipmagneten, bekabeling, membranen en conductaansluitingen. De balgjes (Pédale) zijn van nieuw leer voorzien. De bevestigingen en ondersteuning van de lagering van de windladen zijn aangepast en deels vernieuwd. De roosterbevestigingen en hangers zijn verstevigd, de pijproosters van het Pédale aangepast na verwijdering van de transmissies van 1948.
De windladen van de manuaalwerken zijn uitgevoerd als voetjes- of veermembraanladen. In de laden zijn metalen platen aangebracht om verschillende drukken te kunnen creëren voor de labialen en tongwerken.
Direct achter de krans van het front liggen de laden van het Grand Orgue (C-lade links, Cis-lade rechts, grootste pijpen aan de zijkanten), dan volgt een stempad en daarna de laden van het Récit (C-lade links en Cis-lade rechts, grootste pijpen aan de zijkanten). In de onderkas zijn op vloerniveau afgevoerde laden gesitueerd met de grootste pijpen van de Bourdon 16’ en de Flûte harmonique 8’ van het Grand Orgue. De grootste pijpen van de Diapason 8’ en de Flûte traverse 8’ van het Récit staan opgesteld langs de zij- en achterwand van de crescendokast. In de onderkas zijn eveneens op vloerniveau de pedaalladen geplaatst (links Cis-lade en rechts C-lade, de grootste pijpen in het midden). Deze originele laden zijn uitgevoerd als Taschenladen.
Het pedaalpijpwerk vormt de achterwand van de onderkas.
Het pijpwerk is gereinigd en opgevormd, beschadigingen hersteld, leer en vilt van gedekten vervangen. Het kleurverschil tussen het originele frontpijpwerk in het bovenste middenveld en de frontpijpen van 1948 is verkleind door alle frontpijpen licht te schuren, te beugelen en te polijsten.

Dispositie:

Grand Orgue  (I, C–g³, registers in lade volgorde vanaf het front)
Montre 8’  C–g front, 1948; gis–h op de lade, zijbaarden en expressions; c¹–h¹ front, 1948; c²–f³ 75% tin, geen zijbaarden, wel expressions; registernaam op de corpora: PRINCIPAL
Bourdon 16’  C–h grenen, gedekt, eiken voorslagen, kernen en voeten; C–H elektrisch afgevoerd in onderkas; vervolg 50% tin, gedekt, zijbaarden, licht boogvormig opgesneden; registernaam op de corpora: Bourdon
Violoncelle 8’  C–H front (zijtorens), 1948; vervolg 75% tin; c–h² voorbaarden en expressions; c³–g³ zijbaarden en expressions; registernaam op de corpora: Violoncello
Salicional 8’  C–H zink, rolbaarden en expressions; c–g³ 50% tin, expressions, zijbaarden tot en met h²; registernaam op de corpora: Salicional
Flûte harmonique 8’  C–H grenen, open, eiken stemschuiven, elektrisch afgevoerd in de onderkas; c–f² grenen, open; c–fis eiken stemschuiven; alle grenen pijpen eiken voorslagen, kernen en voeten; g–f² metalen stemrolletjes; C–h metalen plaatjes op de onderlabia; fis²–g³ 50% tin, dubbele lengte en overblazend, boogvormig opgesneden, expressions; registernaam op de corpora: Fl
Bourdon 8’  C–H grenen, eiken voorslagen, kernen en voeten; elektrisch afgevoerd; c–h¹ 50% tin, boogvormig opgesneden, gedekt, zijbaarden; c²–g³ 50% tin, boogvormig opgesneden, roergedekt, zijbaarden; registernaam op de corpora: Bourdon
Prestant 4’  C–A front 1948; B–H op de lade, expressions en zijbaarden; c–g³ 75% tin, tot en met c³ expressions, zijbaarden tot en met h; registernaam op c: PRESTANT
Flûte à cheminée 4’  metaal, licht boogvormig opgesneden; C–E gedekt; F–f² roergedekt; vervolg conisch, open, zonder zijbaarden; registernaam op de corpora: Rohrflöte
Doublette 2’  C–g³ uit Fourniture-Cornet 3-4-5 rgs.; C–h¹ expressions, zijbaarden C–h; registernaam op C: Mixtur Cornett; registernaam vanaf Cis: Mixtur
Fourniture-Cornet 3-4-5 rgs  C–h: 4’ koor: expressions en zijbaarden; 2²/3’ koor: expressions, C–e zijbaarden; 11/3’ koor: expressions, C–E zijbaarden; c¹–g³ (opgesteld op bank): 8’ koor: roergedekt, zijbaarden, licht boogvormig opgesneden; 4’ koor: c¹–h² expressions; 22/3’ koor: c¹–f² expressions; 13/5’ koor: c¹– h¹ expressions; registernaam op c1: Mixtur-Cornett; registernaam vanaf cis¹: Cornett;
samenstelling:
C 2²/3 2 11/3
c 4 2²/3 2 11/3
c¹ 8 4 2²/3 2 13/5
Trompette 8’  metalen stevels en koppen, messing kelen en tongen, fosforbronzen Franse stemkrukken, trechtervormige bekers; C–h voorzien van sloffen; C–A beleerde kelen; C–h² intoneerklepjes in de bekers; vanaf c³ bekers met dubbele lengte


Récit  (II, C–g³, registers in lade volgorde vanaf het front)
Diapason 8’  C–F grenen, open, rolbaarden, eiken stemschuiven, elektrisch afgevoerd in de zwelkast; Fis–H grenen, open, rolbaarden, eiken stemschuiven, met conducten afgevoerd; alle grenen pijpen eiken voorslagen, kernen en voeten; c–g³ 75% tin; c–f gesoldeerde labia, voorbaarden en expressions; fis–gis voorbaarden en expressions; a–h¹ zijbaarden en expressions; het vervolg alleen expressions; registernaam op C–H: Diapason; registernamen op c: Diaspon (sic), Principal
Gambe 8’  C–H zink, gesoldeerde labia, rolbaarden en expressions; c–g³ 75% tin; c–h zijbaarden en expressions; c¹–h² voorbaarden en expressions; vervolg zijbaarden en expressions; registernaam op de corpora: Gamba
Dulciana 8’  C–H zink, gesoldeerde labia, rolbaarden en expressions; c–g³ 50% tin; c–h² voorbaarden en expressions; vervolg alleen expressions; registernaam op de corpora: Dulciana
Voix-céleste 8’  vanaf c; 75% tin; c–h² expressions en voorbaarden; vervolg alleen expressions; registernaam op de corpora: Voix celest:.
Flûte traverse 8’  C–Dis grenen, open, eiken stemschuiven en metalen plaatjes op de onderlabia, elektrisch afgevoerd; E–H grenen, open, eiken stemschuiven en metalen plaatjes op de onderlabia, afgevoerd met conducten; alle grenen pijpen eiken voorslagen, kernen en voeten; c–g³ 50% tin; c–f² zijbaarden; c–g³ expressions; vanaf f¹ dubbele lengte en overblazend, enigszins boogvormig opgesneden; registernaam op de corpora: Flüt-harmon.
Flûte octaviante 4’  C–H grenen, open, eiken voorslagen, kernen en voeten, metalen plaatjes op de onderlabia; C–F eiken stemschuiven; Fis–H metalen rolletjes; c–g³ 50% tin, c–h zijbaarden en expressions; c¹–h² expressions; vanaf c¹ overblazend, enigszins boogvormig opgesneden; registernaam op de corpora: Flüt-harmon
Harmonia aethera 3 rgs.  11/3’ koor: C–h² expressions, C–fis zijbaarden; 1’ koor: C–f² expressions, C–Fis zijbaarden; 2/3’ koor: C–f expressions, geen zijbaarden; 60% tin; registernaam op de corpora: Harmonica aeth:;
samenstelling:
C 11/3 1 ²/3
c 2 11/3 1
c¹ 2²/3 2 11/3
c² 4 2²/3 2
Trompette harmonique 8’  metalen stevels en koppen, messing kelen en tongen, fosforbronzen Franse stemkrukken, trechtervormige bekers; C–h voorzien van sloffen; C–A beleerde kelen; C–g³ intoneerklepjes in de bekers; vanaf c³ bekers met dubbele lengte
Clairon 4’  metalen stevels en koppen, messing kelen en tongen, fosforbronzen Franse stemkrukken, trechtervormige bekers; C–H voorzien van sloffen; c²–f² dubbele bekerlengte; fis²–g³ labiaal; fis²–h² expressions


Pédale  (C–f¹, registers van ladevolgorde vanaf de voorzijde)
Sousbasse 16’  grenen, gedekt, eiken voorslagen, kernen en voeten, boogvormig opgesneden
Contrebasse 16’  grenen, eiken voorslagen, kernen en voeten, open, eiken stemschuiven, rolbaarden en reguleerschroef in de voeten; registernaam op de bovenlabia: Violonbass
Violoncelle 8’  2010; C–H zink, rolbaarden, gesoldeerde labia en expressions; c–f¹ metaal, rolbaarden en expressions


Werktuiglijke registers
voettreden, van links naar rechts:
koppelingen: G–P, R–P, R–G, R–G Oct.aigue, R–G Oct.grave
Crescendo (basculetrede generaal crescendo )
Expression R (basculetrede zwelkast Récit)
Appel Cr. (voettrede, inschakeling generaal crescendo-trede)
drukknoppen klavierlijst, van links naar rechts:
Appel G.O.; Comb. G.O.; Comb. R.; Comb. P.; Réunion; Inter; Tutti
toonhoogte: a¹ = 440 Hz (aangetroffen toonhoogte)
winddruk: 102 mm Wk (GO en Réc), 113 mm Wk (Péd, tongwerken GO en Réc, afgevoerde pijpen GO in onderkas)
stemming: evenredig zwevend



CEES VAN DER POEL

Bron:
Rogér van Dijk en Marcel Verheggen, De restauratie van het Dalstein & Haerpfer orgel in de kerk van Onze Lieve Vrouw Visitatie te Budel, Heerlen/De Bilt mei 2011 (eindrapport welwillend door de auteurs ter beschikking gesteld)