Orgelbouwnieuws

Mensingeweer, Hervormde kerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2012/03]

 


Foto's: Stef Tuinstra

 

Het Arp Schnitger-orgel van Mensingeweer is oorspronkelijk gebouwd voor de Hervormde Kerk van Pieterburen, waar het eind 1698 of begin 1699 is opgeleverd. Het nog aanwezige bestek geeft een summiere omschrijving van het te maken instrument: acht stemmen, één windlade, drie spaanbalgen, een klavier van 45 toetsen (CDEFGA-c3) en een tremulant. De dispositie 1698 luidt volgens het bestek van Arp Schnitger:

Praestant 8 voet van Claer tin, F in’t gesigt. C:D:E: spreecken met in’t Gedact
Gedact 8 voet
Octave 4 voet
Quinte 3 voet
Supra Octav 2 voet

Sexquialt 2:starck  } Deese drie Register
Mixtuir 3:4:5:starck  } moeten halveert wer=
Cromphorn 8 voet } den:/td>

Het is opvallend dat Schnitger het bestek heeft gewijzigd en ervoor koos in plaats van de Cromphorn 8’ een Trompet 8’ te plaatsen.
Voor dit zesvoets orgel ontvangt Schnitger ‘550 Caroli gld’. In deze aanneemsom zijn de orgelkast en de galerij niet opgenomen.
Het bestek vermeldt namelijk: ‘buiten de strucktuir en Fondament’. Het orgel wordt uiteindelijk gekeurd door twee Groninger stadsorganisten, namelijk Petrus Havingha (organist Martinikerk) en Johan Eitzen (organist van de Der Aa-kerk).
Twee jaren na de oplevering plaatst kistenmaker Allert Meijer nog een loos rugwerk.

Vanaf de oplevering in 1698/1699 tot het jaar 1723 heeft meesterknecht J. Radeker het orgel in onderhoud. Hij plaatst in 1704 een aangehangen pedaal.

In 1723 verhuist Radeker naar Leeuwarden en komt het onderhoud in handen van A.A. Hinsz. Deze stelt in 1772 een onderhoudsplan op omdat het orgel ‘nootzakelijk moet worden vernieuwt en verbetert’. Tijdens deze onderhoudsbeurt bouwt Hinsz het kort octaaf uit tot een volledig groot octaaf, waarbij de Praestant 8’ tevens eigen metalen pijpen krijgt voor C-E, en plaatst hij een nieuwe Fluit 4’. Daarnaast wordt de samenstelling van de Mixtuur gewijzigd en wordt het wellenbord van het aangehangen pedaal vernieuwd (Radeker had abstracten van bindgaren aangebracht).

In 1785 overlijdt Hinsz. Het onderhoud komt in handen van F.C. Schnitger & H.H. Freytag i.c. Na het overlijden van Freytag nemen zijn zonen H.E. Freytag en B.J. Freytag het onderhoud over, zoals te zien is aan enkele inscripties op de bekers van de Trompet 8’. Zo staat op Fis de inscriptie: ‘B. Freytag nagezien den 6 en 8 maart 1819’ . De firma Freytag stopt uiteindelijk met al haar werkzaamheden in het jaar 1863.

Vanaf 1863 heeft orgelmaker N.A. Lohman het orgel van Pieterburen in onderhoud. Deze restaureert het orgel in 1867 en voert hierbij enkele wijzigingen door. De windlade wordt hersteld en de inliggende voorslagen maken plaats voor nieuwe opliggende voorslagen. Ook komt er een opdik over twee pijpstokken voor twee nieuwe registers: de Sesquialter maakt plaats voor een Viool di Gamba discant, de Mixtuur maakt ruimte voor een Salicionaal 4’ B/D, waarbij het groot octaaf gecombineerd wordt met de Fluit 4’. De vijf metalen pijpen die Hinsz had geplaatst bij de Praestant 8’ (C-E) worden vervangen voor grenenhouten exemplaren. Verder wordt de tremulant verwijderd en dient de betreffende registerknop vanaf dat moment als windlosser.

Na het overlijden van Lohman in 1871 komt het jaarlijks onderhoud in de jaren 1888-1899 in handen van orgelmaker P. van Oeckelen.
In de laatste jaren van de negentiende eeuw begonnen de kerkvoogden en notabelen te denken aan een nieuw orgel. Orgelmaker Van Oeckelen werd uitgenodigd om een plan in te dienen.
Deze gaf aan dat hij een nieuw instrument kon leveren voor 3800 gulden en voor het ‘oude orgel’ 250 gulden wilde geven. Dat de kerkenraad en notabelen het moeilijk vonden om een keuze te maken, is op te maken uit het feit dat de plannen bijna een jaar bleven liggen. De definitieve uitspraak om een nieuw orgel aan te schaffen komt tijdens een vergadering op 19 augustus 1899. Iemand van de kerkenraad had gehoord van een ene orgelmaker Leichel. Deze werd na de vergadering uitgenodigd om een plan te maken voor een nieuw instrument. Leichel biedt een nieuw pneumatisch orgel aan voor 3800 gulden, dezelfde som die Van Oeckelen vroeg, en voor het Schnitger-orgel geeft hij 100 gulden. Uiteindelijk zal Leichel een nieuw instrument plaatsen in Pieterburen. Het loze rugpositief krijgt in de tussenvelden nieuw pijpwerk met labia in een rechte lijn. Het Schnitger-orgel wordt voor 400 gulden verkocht aan de kerkvoogden te Mensingeweer. Het is het eerste orgel in deze kerk.

In Mensingeweer krijgt het orgel, voordat het in 1901 geplaatst wordt, onder leiding van W.K. Beukema een nieuwe windvoorziening; de frontpijpen worden bestreken met aluminiumverf.
Vanaf 1912 wordt er, conform de oude situatie in Pieterburen, ook een loos rugwerkfrontje geplaatst in Mensingeweer.

In het interbellum neemt orgelhersteller en organist H. Vegter uit Usquert het onderhoud over; deze heeft in 1953 de windvoorziening geëlektrificeerd. Na Vegter kwam orgelstemmer A.J. Opten uit Groningen.

Orgelmakerij Van Vulpen uit Utrecht krijgt het onderhoud in handen en maakt in 1982 het instrument schoon. Er wordt dan een Werckmeister III-stemming aangebracht. Vanaf dat moment worden concerten georganiseerd om een restauratie in de toekomst mogelijk te maken. Het instrument raakte, na plaatsing van een heteluchtverwarming naast het orgel, snel in verval. Vele onderdelen van de orgelkast raakten los. De balg was zo lek dat het bovenblad amper tien centimeter omhoog kwam, waardoor de frontpijpen en afgevoerde binnenpijpen nauwelijks genoeg lucht kregen.

In 1991 plaatst Orgelmakerij Mense Ruiter uit Zuidwolde een nieuwe windmachine in de onderkast van het orgel. Voorts verbetert deze orgelmaker vijf jaar later de speelaard van het klavier.

Recente restauratie
Vanaf 1995 is adviseur Stef Tuinstra betrokken bij de restauratieplannen van dit orgel. Het zal uiteindelijk duren tot 2009 voordat er een begin wordt gemaakt met een daadwerkelijke restauratie. Uitgangspunt daarbij is de dispositie van Lohman in 1867. Orgelmakerij Mense Ruiter is verantwoordelijk voor de restauratie.
De orgelkas is gerepareerd en de krimpnaden zijn hersteld. Het snijwerk is gerestaureerd en waar nodig aangevuld door houtsnijder Tico Top uit Kruisweg. De oude verflagen op de orgelkast en het snijwerk zijn verwijderd door Martens Schildersbedrijf v.o.f. uit Zuidwolde.
Bij de claviatuur, die in 1772 nieuw gemaakt was, vroeg met name een nieuw te ontwerpen bekleding van de bakstukken de nodige aandacht.
Het intarsiawerk (ebben-, mahonie-, palmhout en oud ivoor) is uitgevoerd door Top. Het celluloid van de ondertoetsen heeft plaats gemaakt voor mammoet-ivoor. De frontons werden gemaakt van palmhout. De registeropschriften zijn gerestaureerd door Helmer Hut uit Beerta. Tevens is er een nieuwe orgelbank gemaakt. De bank die Schnitger heeft geleverd voor Pieterburen, is niet samen met het orgel overgebracht naar Mensingeweer. Het bankje uit 1901, voorzien van rugleuning en thans dienstdoende als hulpbankje in de kerkenraadskamer, maakte plaats voor een bank naar het voorbeeld van Uithuizermeeden.
Alle mechaniek is integraal hersteld. Van de speelmechaniek moest alle messingdraad- en stiftwerk worden vervangen. Bij de registermechaniek zijn uitgesleten gaten gepropt, waarin nieuwe gaten werden geboord.
De windlade werd geheel gerestaureerd; de ventielveren van Lohman zijn daarbij gehandhaafd.
Het pijpwerk is nagezien en waar nodig hersteld. De frontpijpen zijn ontdaan van de aluminiumverf en na herstel voorzien van tinfolie.
De labia zijn verguld door L. Muller uit Zuidhorn. Vele stevels van de Trompet moesten opnieuw worden verlijmd. Ook zijn enkele bekers in het verleden afgeknipt; deze zijn bij deze restauratie verlengd. Op de stevel na was de pijp e1 verdwenen, alsmede de keel en de tong. Deze zijn nieuw bijgemaakt.

Het instrument is op 1 april 2011 feestelijk in gebruik genomen.

Dispositie in volgorde lade-opstelling
Manuaal (C–c3)  
Praestant 8’ 1698 F- c3 Schnitger; vanaf F in het front en bovenste tussenvelden; vanaf g2 op de lade De onderste tussen velden en van de bovenste de pijpen 1,9,10 (links) en 1,2,10 (rechts) zijn loos; C-E grenenhout (1867), gedekt
Holpijp 8’ 1698 C-fis1 Schnitger, g1-c3 Hinsz
Octaaf 4’ 1698 C-e1 met baarden uit 1867; C-b niet verschoven, h-d2 is in 1867 van een halve toon tot een grote terts opgeschoven reeks Schnitger-pijpen uit de Mixtuur en de Sesquialter; dis2-c3 zijn eveneens uit de Schnitger-mixtuur
Quint 3’ 1698; e2-g2 zijn in 1772 gebruikte pijpen uit de Schnitger-mixtuur; g1 (uit ca 1950) in 1982 geplaatst; gis2 (uit ca. 1870) in 1901 geplaatst; a2-c3 originele Quint-pijpen die in 1867 een kleine terts zijn opgeschoven
Octaaf 2’ overwegend Schnitger; C-H niet verschoven, c-c3 veel onregelmatigheden, c-h1 overwegend een toon opgeschoven, c2-c3 een kleine terts opgeschoven, de laatste een kwart.
Viool di Gamba 8’ D 1867
Fluit 4’ 1772; gedekt, vanaf fis2 met gaatjes in hoed
Salicionaal 4’ B/D 1867; C-H gecombineerd met Fluit 4’
Trompet 8’ B/D 1698; eiken stevels en koppen; kelen rechtgesloten met loodprop; C-h met loodbeleg, C-c beleerd.
Pedaal (C–d1)  
Aangehangen  

Nevenregisters
Windlosser (sinds 2010 gebruikt voor tremulant)
Tremulant nieuw gemaakt naar Freytag
Magazijnbalg met twee schepbalgen
Toonhoogte: a1 = halve toon boven normaal
Winddruk: 65,5 mm Wk
Stemming: Stef Tuinstra, vrijwel gelijkzwevend: C-G, G-D, D-A, A-E en E-H 1/8 komma kleiner dan rein, H-Fis een 1/16 komma
kleiner dan rein, Fis-Cis rein, Cis-Gis 1/8 komma kleiner dan rein, Gis-Es rein, Es-Bes, Bes-F en F-C een 1/16 komma kleiner
dan rein


HENK DE VRIES


Bronnen: