Orgelbouwnieuws

Wehe-den Hoorn, parochiekerk H. Bonifatius
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2012/02]

 


In 1788 maakte Johannes Mitterreither een orgel voor het Rooms-Katholieke Maagdenhuis in Amsterdam. Het had volgens het bewaarde bestek de volgende dispositie:

Onderklavier Bovenklavier
Prestant 8’ Holpijp 8’
Bourdon 16’ Quintade 8’
Roerfluit 8’ Fluit 4’
Octaaf 4’ Gemshoorn 2’
Gemshoorn 4’ Fluit-travers D 8’
Quint 3’ Vox Humana 8’
Octaaf 2’  
Cornet D 4 st  .
Trompet 8’  
Mixtuur B/D 3–5 st.  

Werktuiglijke registers
klavierkoppeling
tremulant bovenklavier
twee afsluitingen
ventiel

Mitterreither had het instrument in onderhoud tot 1798. Later verschijnt Leonardus van den Brink in de rekeningboeken. Na diens dood in 1833 ging het onderhoud over naar zijn zoon Matthias. In 1874 en 1875 verricht A.F.C. Dellebarre werkzaamheden, waarna Hermanus ter Hart het orgel onder zijn hoede had tot 1879. Een jaar later kreeg Piet Adema het instrument in portefeuille. Hij dichtte lekkages in de windvoorziening, verhielp storingen in de speeltafel, reinigde alle pijpwerk, verlijmde de houten pijpen opnieuw, intoneerde het orgel en stemde het in de evenredig zwevende temperatuur (tot dan toe niet aanwezig?). In tweede instantie plaatste Adema een nieuwe magazijnbalg met twee schepbalgen, een regulateurbalg en maakte hij een ruimer hoofdkanaal.
Plannen voor verdergaande modernisering uit 1891 gingen niet door. Michaël Maarschalkerweerd kreeg in 1898 wel de kans het instrument bij de tijd te brengen. Hij maakte nieuwe windladen, mechaniek en een speeltafel aan de linkerzijde van de kas. Wellicht verving hij ook de magazijnbalg van Adema. Volgens het tijdschrift Het Orgel (1898) had het instrument na oplevering de volgende dispositie:

Manuaal (I, C–f³) Positief (II, C–f³) Pedaal (C–d¹)
Bourdon 16’ Viola da Gamba 8’ Subbas 16’
Prestant 8’ Dolcissimo 8’  
Roerfluit 8’ Holpijp 8’  
Octaaf 4’ Gedekte Fluit 4’  
Octaaf 2’    

Werktuiglijke registers
koppel klavier
koppel Pedaal

De Viola da Gamba en Dolcissimo waren geheel van de hand van Maarschalkerweerd, de Prestant en Octaaf 4’ van het Manuaal gedeeltelijk.
De overige registers werden overgenomen uit het oorspronkelijke orgel. De Subbas was een pneumatische transmissie van de Bourdon van het Manuaal.
Het orgel bleef ongewijzigd tot de sluiting van het Maagdenhuis in 1953. De firma Adema-Schreurs demonteerde het binnenwerk van het instrument en sloeg het op. In 1957 plaatste de Amsterdamse orgelmaker het binnenwerk in een eenvoudige kas in de Bonifatiuskerk in Wehe-den Hoorn met gebruikmaking van vrijwel alle frontpijpen van Mitterreither. In 1980 werd een nieuwe windmotor geplaatst.
In 1998 was het eerste contact over concrete restauratieplannen tussen de parochie en Ton van Eck, adviseur namens de KKOR. Tien jaar later kon herstel worden gesubsidieerd in het kader van de Rrwr 2008, ook wel bekend als ‘de achterstandsregeling’. In de tweede helft van 2010 kon Adema’s Kerkorgelbouw uit Hillegom het werk ter hand nemen.
Er werd een nieuwe kas vervaardigd, naar ontwerp van Ernst Jongenotter en Ronald van Baekel van de firma Adema. De plattegrond ervan sluit enigszins aan bij de situatie voor zover bekend in het Maagdenhuis in Amsterdam. De indeling van de frontpijpen van 1957 werd overgenomen, en voor stijl en ornamentiek ging men te rade bij de architectuur van de kerk, een gebouw uit 1927 van Joseph Cuypers en diens zoon Pierre Cuypers junior. In de claviatuur is het houtwerk hersteld, gereinigd en gelakt. De openingen voor de registertrekkers zijn van nieuw kernlaken voorzien, de knoppen schoongemaakt en gelakt, de knoppen gepolitoerd. De bepolstering van de toetsen is hersteld en enig beleg van de ondertoetsen van het Hoofdwerk vervangen.
De handklavieren kregen nieuwe stootkussens en nieuw vilt als toetsaanslag.
De balg is opnieuw beleerd, de windvoorziening gereinigd en gerestaureerd. De beide windladen zijn tot op het cancellenraam uiteengenomen, waarna scheuren in de dekplaat zijn gedicht, de cancellen uitgelijmd met warme lijm, scheien in de hoeken voorzien van leer en ten slotte de sponningen uitgefreesd en dichtgemaakt met overmaatse sponsels, deels door het opschuiven van de oude exemplaren, deels met nieuwe. De ladebodem is afgedicht met leer, de ventielkast bekleed met papier. De ventielen zijn gevlakt en opnieuw beleerd, festonneringen vernieuwd. De sleepbanen zijn voorzien van textielen ringen.
De voorslagen zijn winddicht gemaakt met papier en leer. Conducten en vervoerstokken zijn hersteld. Ook de twee pneumatische laden van het pedaal zijn gedemonteerd en kregen nieuwe pakkingen.
De stangen, schijven, vilt en leren moeren van de pneumatiek in de laden zijn vervangen en de membraanlatten voorzien van nieuw rundleer.
De mechanische speeltractuur en het pneumatische station zijn geheel nagezien en waar nodig in oorspronkelijke stijl hersteld. In de registertractuur zijn de ijzeren balansarmen ontroest en in de bestaande kleurstelling geschilderd. Van het houten pijpwerk zijn de stoppen gangbaar gemaakt, lijmnaden waar nodig opnieuw verlijmd en voorslagen gevlakt. De houten pijpen zijn uitgelijmd met warme lijm. Het metalen pijpwerk was in goede conditie, waar nodig zijn kleine herstellingen uitgevoerd. Enkele ingezakte voetpunten van de frontpijpen zijn vervangen. Na controle van de intonatie, waarbij bescheiden correcties plaatsvonden, is het orgel gestemd in de originele toonhoogte van 1898. De ingebruikneming van het gerestaureerde instrument in de nieuwe kas was op 27 mei 2011. Ter gelegenheid hiervan gaf het parochiebestuur een zeer informatieve brochure uit.

Dispositie
Manuaal (I, C–f³)  
Prestant 8’ 1788; hoog tingehalte; C–e in het front, opgeworpen labia, f–f³ op de lade, f–b (1898) afgevoerd
Bourdon 16’ C–d¹ op transmissieladen, dis¹–f³ op de hoofdlade; C–b eiken, 1788; c¹–f³ metaal; c¹–b¹ 1788; c²–f³ 1898
Roerfluit 8’ C–B eiken, gedekt; c–f³ metaal, roergedekt 1788; h¹–f³ aanzienlijke verschuivingen, mogelijk pijpwerk Quint 3’ 1788
Octaaf 4’ C–B 1898, vermoedelijk pijpwerk Quint 3’ 1788; c–f³ 1788; C–f² expressions (1898), gewreven labia; fis²–f³ op lengte
Octaaf 2’ C–c², d²–b², d³–e³ 1788, in grotere pijpen expressions (1898); gewreven labia; opgeschoven in 1898; grootste binnenpijpen Prestant 1788, deel kleinere pijpen mogelijk uit Mixtuur 1788; grotere pijpen met zijbaarden
Positief (II, C–f³)  
Viola da Gamba 8’ C–b gecombineerd met Holpijp; c–f³ 1898, expressions, c–b zeer hoog tingehalte, Gavioli snijbaarden; c¹–b¹ kastbaarden, c²–f³ zijbaarden; Duits fabricaat
Holpijp 8’ gedekt; C–f³ metaal, 1788; C–B uit Quintade 1788; c–f³ uit Holpijp Positief 1788
Dolcissimo 8’ C–B gecombineerd met Holpijp; c–f³ 1898; trechtervormig; c–f³ expressions; c–fis zeer hoog tingehalte;smalle geperste labia, ronde opsneden; c–b Gavioli snijbaarden, c¹–dis² kastbaarden, e²–f³ zijbaarden;Duits fabricaat
Fluit Dolce 4’ C–f² gedekt, zijbaarden; fis²–f³ conisch; C–f³ 1788
Pedaal (C–d¹)  
Subbas 16’ transmissie van Bourdon 16’ Manuaal


Werktuiglijke registers
koppeling manualen, koppeling Pedaal
toonhoogte: a¹=435 Hz
winddruk: 80 mm Wk
stemming: evenredig zwevend

Cees van der Poel

Bronnen: