Orgelbouwnieuws

Akkrum, Terptsjerke
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2011/04]

 

Het eerste orgel in de Terptsjerke is tussen 1819 en 1821 gebouwd door de orgelmaker Hillebrand en bevindt zich thans in de Koepelkerk te Veenhuizen. Dit instrument heeft één klavier en negen stemmen op het Hoofdwerk, een loos Rugwerk, aangehangen pedaal en drie werktuiglijke registers.
In 1852 wordt gesproken over enerzijds verbeteren van het Hillebrand-orgel en anderzijds overgaan tot nieuwbouw.
Uiteindelijk besluit men in Akkrum tot het laatste.
De kerkenraad benoemde Jhr. Mr. Samuel Wolter Trip uit Groningen als adviseur. Deze nodigde twee orgelmakers uit een offerte te maken voor het nieuw te bouwen orgel, te weten P. van Oeckelen uit Harenermolen en L. van Dam & Zn. uit Leeuwarden. De verschillen qua prijs waren minimaal, alleen de inname van het oude orgel zou kunnen verschillen. Van Dam had er f 250 voor geboden. Volgens Trip kon men gerust de opdracht aan de laagste inschrijver gunnen, ‘…evenwel meen ik mij overtuigd te hebben, dat het werk van den Hr. Van Oeckelen het wel wint in soliditeit, met andere woorden, dat het vaster en steviger is.’ Terwijl de discussies aan wie de opdracht kon worden gegund nog in volle gang waren, deelde Van Dam op 3 juli 1853 mee, dat, hoewel ze ‘volstrekt niet onverschillig’ stonden tegenover de mogelijke opdracht, zij toch ‘om onderscheidene redenen’ voor de opdracht bedankten. Niet bekend is waarom ze op dat tijdstip afzagen van verdere onderhandelingen. Aannemelijk is dat er ongelijke kansen waren bij adviseur Trip, die een sterke voorkeur voor Van Oeckelen tentoongespreid had. De kerkvoogden wilden echter toch nog meer zekerheid met betrekking tot de voorkeur voor Van Oeckelen. Deze orgelmaker stuurde daarom een aanbevelingsbrief van 19 augustus in van de kerkvoogden uit Assen, dat zij zowel over diens nieuwbouwals zijn onderhoudswerk zeer tevreden waren. Het contract tussen orgelmaker en kerkvoogdij werd op 6 september 1853 ondertekend.
Van Oeckelen nam het Hillebrand-orgel in voor zelfs f 800 en plaatste het in Veenhuizen.
Opvallend aan het orgel van Van Oeckelen is dat het een loos Rugwerk heeft, waarschijnlijk naar voorbeeld van Hillebrand. Het nieuwe instrument werd aanmerkelijk groter dan het vorige. Het kreeg twee klavieren, zestien stemmen, aangehangen pedaal, een loos Rugwerk en drie blaasbalgen. In 1931 kregen de balgen wind door middel van een elektrische windmotor. In 1955 werd een nieuw pedaalklavier geleverd in Mechelse maat en werd het tertskoor van de Cornet vernieuwd.
De laatste wijziging vond plaats in 1967 na de kerkrestauratie; de orgelkas werd opnieuw geschilderd in gebroken wit.
De in meerdere fasen uitgevoerde restauratie van het orgel werd ter hand genomen door Mense Ruiter Orgelbouw uit Zuidwolde (GR).
Willem Hüllsman trad op als adviseur bij de eerste twee fasen. De eerste fase vond plaats in 1977 en betrof de restauratie van het Hoofdwerk. Het pijpwerk werd waar nodig gerepareerd en de windladen werden gerestaureerd. De Trompet 8’ werd weer bespeelbaar gemaakt.
De tweede fase werd voltooid tussen 1983-1984 en betrof de restauratie van het pijpwerk en de windladen van het Bovenwerk. Daarnaast werd de registermechaniek verbeterd door het aanbrengen van contragewichten.
In 1991 werd Stef Tuinstra tot adviseur benoemd vanwege het overlijden van Hüllsman. Onder advies van Tuinstra werden in 2000 de windvoorziening en de orgelkas gerestaureerd; ook werd de oude treedinstallatie in functie gebracht.
De recentste restauratie werd in 2010 uitgevoerd, waarbij het regeerwerk en de claviatuur volledig zijn gerestaureerd. Het fineerwerk van de claviatuur is hersteld. Het pijpwerk van het Hoofdwerk is gerestaureerd, evenals dat van het Bovenwerk, dat aanvullend hersteld werd. Houten pijpen zijn opnieuw verlijmd, stoppen weer gangbaar en sluitend gemaakt. Tevens is de registermechaniek opnieuw ingeregeld en werd er een nieuwe stemvloer bij het Bovenwerk gemaakt. Ook werden er enkele gescheurde panelen van de orgelkas hersteld, luiken sluitend gemaakt en kasbeschilderingen bijgewerkt.
Behalve Mense Ruiter Orgelbouw werkten aan deze restauratie mee houtsnijder Tico Top uit Kruisweg, kunstrestaurateur Lammert Muller uit Zuidhorn en installatiebedrijf De Boer uit Akkrum. Wim Diepenhorst was consulent namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Dispositie:
Registervolgorde volgens de opstelling van de pijpen op de windlade vanaf het front. Het metalen pijpwerk heeft een legering van driekwart deel lood en kwart deel tin. Al het aanwezige pijpwerk is origineel van 1856.

Hoofdmanuaal (I, C-f3)
Praestant 8’
Bourdon 16’ C-h eiken
Holpijp 8’ C-H eiken
Octaaf 4’
Nachthoorn 4’
Woudfluit 2’
Cornet D 4 st.    c1 8 4 2 2/3 1 3/5
Mixtuur B/D 3-4 st.     C 2 1 1/3 1       f 4 2 2/3 2       f3 8 5 1/3 4 2 2/3
Trompet B/D 8’ C- f1 beleerd, fis1- h1 beplakt met speelkaartenkarton; metalen koppen, messing kelen

Bovenmanuaal (II, C-f3)

Fluit douce 8’ C-h eiken, gedekt; rest metaal
Salicionaal 8’ C-Fis eiken; rest metaal
Viola di gamba 8’ C-Fis transmissie Fluit douce 8’; vanaf G zelfstandig
Fluit 4’
Octaaf 4’
Fluit 2’
Vox humana 8’ doorslaand

Pedaal (C-d1)

Aangehangen

Werktuiglijke registers
Klavierkoppel bas en discant (deling tussen h en c1, evenals de
registerdelingen)
Tremulant Bovenwerk
Drie spaanbalgen in een balgenkast achter het orgel
Afsluiters voor Hoofdmanuaal en Bovenmanuaal, en ‘Evacuant’
Toonhoogte: a¹ = 450 Hz bij 18o C
Stemming: evenredig gelijkzwevend
Winddruk: 76 mm Wk

HENK DE VRIES (Van hem zijn ook de foto's)

Bronnen:


Vox Humana van het bovenwerk