Orgelbouwnieuws

Losser, Protestantse kerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2011/04]

 

Het orgel in de Protestantse Kerk van Losser is gebouwd in de jaren 1724/1725 door Diedrich Martens uit Vreden (Dld).
Op 17 augustus 1725 vond de keuring van het instrument plaats, ’s zondags twee dagen later was de inwijding.
Het instrument in Losser is het enige van Martens dat goeddeels bewaard is gebleven.
Tussen 1742 en 1790 onderhield Hermann Theodor het orgel.
Van 1790 tot 1796 hebben verschillende orgelmakers aan het orgel gewerkt, daarna is het 1809 onderhouden door J.A. Kuipers uit Oldenzaal.
Een jaar later stonden de hervormden hun kerkgebouw af aan de katholieken en namen zij een nieuwe kerk in gebruik.
In 1822 plaatste Georg Heinrich Quellhorst het orgel over naar de nieuwe locatie. Hij maakte nieuwe frontpijpen voor de Prestant 4’ en plaatste een Viola di Gamba 4’. De Cornet werd Prestant D 8’ en Quellhorst wijzigde de samenstelling van de Sesquialter.
Hij onderhield het instrument tot 1831; een jaar later voerde J.C. Armbrost een stemming uit. Daarna is tot 1865 niets bekend over het onderhoud.
Na 1822 is er een aangehangen pedaal toegevoegd. G. Elberink uit Oldenzaal verbouwde in 1865 de windlade en wijzigde de Viola di Gamba in een achtvoets register, gecombineerd met de Holpijp. Verder verschoof Elberink het pijpwerk en wijzigde hij de winddruk.
Tot 1900 vermelden de archieven niets, behalve een betaling aan G. ten Heersche in 1889 en een aan Friedrich Fleiter (Münster) in 1891.
Fleiter herstelde het instrument in 1900 na een torenbrand. Waarschijnlijk heeft Fleiter het orgel geruime tijd in onderhoud gehad, in ieder geval vermeldt het kasboek dat hij in 1908 een stembeurt uitvoerde.
In 1923 moderniseerde de firma Steinmann & Vierdag het orgel drastisch.
Er kwam een nieuwe claviatuur met een omvang van C tot g³, gerealiseerd met pijpwerk op een aanvullende pneumatische lade. Het Pedaal liep van C tot f. Op de plaats van de Prestant D 8’ kwam een Salicionaal D 8’, de Prestant verhuisde naar de sleep van de Trompet 8’, die verdween. De samenstelling van de Mixtuur werd verkleind tot 2 sterk. Ten slotte plaatste men een Subbas 16’, die zowel op het Pedaal als het Manuaal te bespelen was.
In 1938 werkte J.C. Sanders & Zoon uit Utrecht aan het instrument.
Er verscheen weer een Cornet D 3 st. en de samenstelling van de Mixtuur werd vergroot naar 3 tot 4 sterk. Het Manuaal herkreeg zijn oude omvang, het Pedaal liep van C tot d¹.
In 1956 maakte Sanders het Pedaal elektro-pneumatisch waarbij de pedaalregisters werden opgesteld buiten de kas ter weerszijden.
Ten slotte volgde in 1993 een reconstructie van de situatie 1725/1822 door S.F. Blank. Deze maakte een nieuwe claviatuur met dito registers en registeropschriften. Een nieuwe windvoorziening werd aangelegd met twee spaanbalgen. De Mixtuur werd gereconstrueerd, alsmede de Trompet 8’. De Viola di Gamba werd weer een viervoet en de Prestant D 8’ kwam op de sleep van de Cornet te staan.
Enige tijd terug ondervond het orgel schade ten gevolge van een ingreep aan het orgelbalkon. Orgelmakerij Reil uit Heerde herstelde van januari tot en met april van dit jaar onder advies van Aart van Beek de schade. De kas is rechtgezet. De windlade en het pijpwerk zijn in de werkplaats in Heerde waar nodig hersteld en schoongemaakt. De windvoorziening is nagezien, en Reil maakte een nieuwe achterwand met stemvloer. Op 15 april 2011 was de feestelijke ingebruikneming van het herstelde orgel.



Dispositie:

Manuaal  (CD-c³)
Holpijp 8’  (1725)
Prestant D 8’  (1822)
Prestant 4’  (1725/1822)
Viola di Gamba 4’  (vnl. 1822)
Fluit 4’  (1725)
Quint 3’  (1725)
Octaaf 2’  (1725)
Mixtuur 3-4 st.  (1725/1991)
Sexquialter 2 st.  (1725)
Trompet B/D 8’  (1991)
Pedaal  (CD-f)
aangehangen  

toonhoogte: a¹=468 Hz
stemming: naar Vallotti
winddruk: 66 mm Wk

CEES VAN DER POEL

Bronnen: