Orgelbouwnieuws

Zaandam , Oud-Katholieke kerk Maria Magdalena
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2011/03]

 


De herkomst van het orgel in de Maria Magdalenakerk in Zaandam is niet geheel zeker. In 1798 werd in Amsterdam de oud-katholieke schuilkerk van de H. Anna, in de volksmond ‘De Pauw’ geheten, gesloten.
De inventaris kwam pas jaren later, in 1809 in de verkoop.
Uit correspondentie van 1809 tussen de Amsterdamse pastoor Jan Steffelaar en zijn Zaandamse collega Stephanus Wallaert blijkt dat men in Zaandam op de hoogte was van het aanbod van een kerkorgel in Amsterdam. De parochie in Zaandam kocht dit instrument aan voor 350 gulden, de kosten voor overplaatsing bedroegen 140 gulden.
In de stukken is sprake van deuren die wel werden overgenomen maar niet geplaatst. Mogelijk betrof dit orgelluiken of deurtjes ter afsluiting van de claviatuur. Verder is tijdens de overplaatsing de winddruk verhoogd van vijftien naar achtentwintig graden en werd er nieuw snijwerk gemaakt.
Uit de briefwisseling valt verder op te maken dat de parochie uit dezelfde verkoping drie schilderijen verwierf. Deze schilderijen zijn beschreven in 1765 door J. Wagenaar in zijn ‘Beschrijving van Amsterdam’.
Wagenaar meldde dat de kunstwerken hingen in de oudkatholieke schuilkerk van de H. Nicolaas en dat zich in die kerk een orgel bevond ‘welk geoordeeld wordt, in keurlykheid van toon, alle de orgels in de Roomsche [kerken?] dezer stad te overtreffen.’ De Nicolaaskerk werd gesloten in 1806. Mogelijk kwam de inventaris van dit godshuis tegelijk met die van de Annakerk onder de hamer. Het is dus denkbaar dat het voor Zaandam aangekochte orgel dat van de H. Anna is. Broekhuyzen vermeldt echter in zijn dispositieverzameling (ca. 1850) dat het instrument van de Maria Magdalenakerk afkomstig is uit ‘De Pauw’. Abraham Meere wordt wel genoemd als de orgelmaker die het instrument in Zaandam plaatste. Uit de genoemde brieven blijkt echter dat Meere meldde geen tijd te hebben voor de overplaatsing.
Tegelijk worden Strümphler en ene Joseph genoemd. De laatste zou Pieter Joseph Teves kunnen zijn die de zaak van Strümphler na diens dood in 1807 korte tijd voortzette.
Tijdens de laatste restauratie is in de balgen het jaartal 1714 aangetroffen, waarschijnlijk het bouwjaar van het instrument.
Vermoedelijk was de bouwer afkomstig uit Brabant of de Zuidelijke Nederlanden en maakte hij orgels voor drie Amsterdamse schuilkerken, waaronder die van de H. Odulphus bijgenaamd ‘De Drie Bonte Kraaien’.
In het kerkarchief is een betaling terug te vinden voor forse reparatiewerkzaamheden aan het orgel. Broekhuyzen noemt ‘N.A. Lohman en Zonen’ uit Groningen als degenen die dit werk uitvoerden.
In 1857 volgden opnieuw ingrepen aan het instrument die fors waren, gelet op de hoogte van het bedrag dat ermee gemoeid was. In beide jaren zijn er ook dispositiewijzigingen doorgevoerd. Zo wijzigden de Quint 1 ¹⁄₂’ (bas) en Sesquialter (discant) in respectievelijk een Terts 1³⁄₅’ (bas) en een Octaaf 2’ (discant). Het nieuwe pijpwerk was afwijkend van makelij. De stemming is op enig moment gewijzigd in een evenredig zwevende en de diapason naar 432 Hz gebracht.
Het handklavier is vernieuwd, de registerknoppen dichter bij het manuaal aangebracht en de registeropschriften gewijzigd. In 1893 wijzigde B. Helmig uit Kampen de aanleg van de balgtreden. Plannen voor vernieuwing van het instrument uit 1916 en 1918 vonden geen doorgang.
Recente restauratie
In 2010 is het instrument gerestaureerd door Hans van Rossum en zijn medewerkers uit Wijk en Aalburg. De kas is hersteld en voorzien van deuren rond de claviatuur. Het dak van de kas en de achterzijde van de middentoren zijn gecompleteerd. De frontpijpen zijn gefoelied en de labia voorzien van bladgoud. Het snijwerk is gerepareerd. Het schilder- en verguldwerk van de kas is gerestaureerd door de firma Cosmin Moclinda.
De niet-originele balgstoel is grotendeels vernieuwd en de trapinstallatie gereconstrueerd. De twee spaanbalgen zijn hersteld en voorzien van nieuw leer; hetzelfde geldt voor de windkanalisatie. Het orgel kreeg een nieuwe windmotor en de tremulant is gereconstrueerd.
Het handklavier is belegd met nieuw ivoor en de registerknoppen teruggebracht naar hun oude positie. De windlade onderging een uitvoerige restauratie. Het pijpwerk heeft zijn oorspronkelijke lengte herkregen, waarmee de originele toonhoogte is hersteld. Op de laatste sleep stond het eerder genoemde nieuwere pijpwerk. Na verwijdering van de opdik ten behoeve van dit nieuwere pijpwerk trof men boringen aan die wezen in de richting van een tongwerk met metalen stevels en een bas/discantdeling tussen c¹ en cis¹.
Besloten werd een nieuwe Kromhoorn te plaatsen van zuidelijke factuur naar het voorbeeld van het orgel in de St.-Lambertuskerk in Escharen.
Dit instrument is een werkstuk van vermoedelijk Johan Jacob Brammertz uit 1710. Al het oude pijpwerk met uitzondering van het tongwerk en de laagste dertien houten pijpen van de Holpijp dateert van 1714. De pijp voor c² van de Prestant 4’ is nieuw gemaakt. Van dit register staan C tot en met e in het front.
Als adviseur trad op Jacob Spaans. De feestelijke ingebruikneming van het instrument was op 29 mei 2010.

Dispositie: (Registernamen volgens inscripties op het pijpwerk)

Manuaal (C-c³, deling B/D tussen c¹ en cis¹)
Prestant D 8’
Holpijp 8’
Prestant 4’
Octaaf D 4’
Fluit 4’
Quint B/D 3’
Octaaf B/D 2’
Terts D 1³/5’
Kromhoorn B/D 8’

Werktuiglijk register
tremulant
toonhoogte: a¹= 390 Hz bij 17°C
winddruk: 48 mm Wk
stemming: middentoonstemming

CEES VAN DER POEL

Bronnen: