Orgelbouwnieuws

Vianen, Grote Kerk (Thomas-orgel)
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2011/02]

 

Het aanzien van de Grote Kerk van Vianen is meerdere malen veranderd.
Zo verbouwde men het bedehuis in de tweede kwart van de vijftiende eeuw tot een hallenkerk. Na een grote stadsbrand in 1540 kreeg het gebouw de nog altijd karakteristieke steekkappen dwars op de hoofdkap. Aan het begin van de negentiende eeuw plaatste men een preekstoel op de de grens tussen het hoofdkoor (de kerk heeft daarnaast twee flankerende koren).
Boven de preekstoel bouwde Abraham Meere uit Utrecht in 1803 een orgel. Het was waarschijnlijk het eerste orgel van deze kerk. Het instrument kreeg een rugwerk, dat echter loos was. De onderzijde van de rugwerkkas diende als klankbord voor de preekstoel. De hoofdkas van het orgel stond tegen een houten wand die het koor afscheidde van het schip van de kerk. Aan de overzijde tussen de tweede en derde travee vanaf de toren was ook een houten wand gemaakt. De kerkdiensten werden gehouden als het ware in een ‘binnenkerk’.

Het orgel had volgens het bestek voor de aanbesteding uit 1802 de volgende dispositie:

Groot manuaal Bovenwerk
Preastant 8’ Roerfluit 8’
Bourdon 16’ Quintadena 8’
Holpijp 8’ Fluit travers D 8’
Octaaf 4’ Prestant 4’
Fluit dolce 4’ Nagthoorn 4’
Quint 3’ Fluit 4’
Superoctaaf 2’ Gemshoorn 2’
Cornet 4 st. Flageolet 1’
Mixtuur B/D 3-5 st. Vox Humana B/D 8’
Sexquialter 2 st.  
Trompet B/D 8’  
   

Verder bezat het instrument twee tremulanten, twee afsluitingen en een ventiel en een gehalveerde manuaalkoppeling. De manualen liepen van C tot f³, het aangehangen Pedaal had een omvang van C tot d¹.
Tot 1847 was het instrument in onderhoud bij de familie Meere. De plaatsing van een vrij pedaal ging in 1847 niet door.
Vanaf 1853 onderhield orgelmaker Gabrij uit Gouda het instrument.
In 1874 vond herstel plaats, in 1891 volgde een reparatie aan de klavieren.
In 1899 deden verschillende orgelmakers voorstellen tot verbetering van het orgel. Uiteindelijk gaven de kerkvoogden de firma Friedrich Leichel & Zoon uit Lochem de opdracht voor de bouw van een nieuw binnenwerk in de bestaande kas. Leichel smeedde het orgel om tot een eigentijds concept en plaatste een groot deel van het pijpwerk van Meere op pneumatische kegelladen. De oplevering was in mei 1907. J.C. Sanders & Zoon uit Utrecht elektrificeerde in 1934 het instrument van Leichel.

Na deze ingreep was de dispositie als volgt:

Hoofdwerk Zwelwerk Pedaal
Praestant 8’ Vioolprestant 8’ Violonbas 16’
Bourdon 16’ Holpijp 8’ Subbas 16’
Roerfluit 8 Quintadena 8’ Octaafbas 8’
Fluit harmonique 8’ Aeoline 8’ Cello 8’
Violon 8’ Voix Celeste 8’ Bazuin 16’
Gamba 8’ Fugara 4’  
Octaaf 4’ Fluit 4’  
Fluit 4’ Flautino 2’  
Quint 2²/3’ Clarinet 8’  
Octaaf 2’ Tremolo  
Mixtuur 4 st.    
Cornet D 4 st.    
Trompet 8’    


Het orgel was verder uitgerust met de voor die tijd gebruikelijke koppelingen en octaafkoppelingen, vrije en vaste registercombinaties en
een generaal crescendo.

 

Tijdens een uitgebreide restauratie van het kerkgebouw in de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn de houten afscheidingen in het schip en tussen koor en schip verwijderd. De orgelkas van Meere vond een nieuwe plaats tegen de toren. Men verkocht het binnenwerk van Leichel.
Een deel van het pijpwerk van Meere kwam in 1994 terecht in het gereconstrueerde en vergrote orgel in de Grote Kerk van Epe en waarschijnlijk belandde een ander deel in het orgel van Verschueren in de St.-Servatius in Nunhem uit 1952.
Willem van Leeuwen uit Leiderdorp maakte voor Vianen in de jaren 1953 tot 1956 een nieuw binnenwerk in de oude kas onder advies van Lambert Erné, die optrad namens de Synodale Orgelcommissie van de Nederlandse HervormdeKerk.
Het ontwerp voorzag in een drieklaviers orgel met Hoofdwerk, Rugwerk, Borstwerk en een vrij Pedaal. Om een lade met pijpwerk te kunnen herbergen voorzag men het tot dan toe loze rugwerkfront van een kas. Daartoe moest de afstand tussen de hoofdkas en het voormalige loze front groter zijn dan die voordien was. De bouw van een nieuw balkon, waarbij delen van de oude balustrade werden hergebruikt, maakte deze verdieping eenvoudig mogelijk. Hoewel de claviatuur was voorzien van drie handklavieren realiseerde Van Leeuwen het Borstwerk niet. Op het Hoofdwerk bleven twee registerplaatsen
open voor een Cimbel en een Trompet 4’.

De dispositie luidde:

 

Hoofdwerk Rugwerk Pedaal
Preastant 8’ Praestant 4’ Subbas 16’
Spitsgedekt 16’ Holpijp 8’ Octaaf 8’
Roerfluit 8’ Speelfluit 4’ Octaaf 4’
Gamba 8’ Octaaf 2’ Ruispijp 4 st.
Octaaf 4’ Woudfluit 2’ Bazuin 16’
Nachthoorn 4’ Quint 1¹/3’ Cornet 4’
Quint 3’ Sesquialter 3. st (vanaf a)  
Octaaf 2’ Scherp 3-4 st.  
Mixtuur 6-8 st. Dulciaan 8’  
Trompet 8’ Tremulant  


Het orgel had een manuaalkoppeling en twee pedaalkoppelingen.
In 1967 en 1983 waren er plannen voor respectievelijk de invulling van de twee gereserveerde registers op het Hoofdwerk en plaatsing van een borstwerk. Beide voornemens bleven onuitgevoerd. Een halve eeuw na de bouw van het instrument gaven technische en artistieke problemen met het Van Leeuwen-orgel en ook met de historische kas aanleiding tot bezinning op de toekomst van het instrument. Na ampele overweging kwam de kerkelijke gemeente tot de slotsom dat met gebruikmaking van de kas van Meere en eventueel gebruikmaking van pijpwerk van Van Leeuwen een nieuw geheel gemaakt moest worden.
De keuze voor uitvoering van dit omvangrijke werk viel op orgelmakerij Orgues-Thomas in Ster-Francorchamps (België). De restauratie van de rijksmonumentale kas kon gesubsidieerd worden, samen met de restauratie van het historische kabinetorgel dat de kerk rijk is, in het kader van de Rrwr 2008, de zogenaamde ‘achterstandsregeling’.

Foto rechts: Hans Kluit

De rugwerkkas van Van Leeuwen is verwijderd, de hoofdkas van Meere is gerestaureerd en op de oorspronkelijke afstand tot het wederom loze rugwerkfront gebracht, zoals in 1803. Bert Jonker uit Zwolle onderzocht de kleurlaag van kas en ornamentiek. Besloten werd de bestaande kleurstelling te handhaven en de verflaag en het verguldsel uit 1803 en 1847 schoon te maken en te herstellen waar nodig.
Het gedemonteerde en opgeslagen binnenwerk van Van Leeuwen ging in 2010 over in handen van orgelmaker Ide Boogaard uit Rijssen.
Voor wat betreft het nieuw te maken binnenwerk was de historische kas letterlijk en figuurlijk maatgevend. Men had daarbij echter niet een stijlkopie in de trant van Meere voor ogen. Het nieuwe orgel moest meer draagkracht in de ruimte ontwikkelen dan het voormalige Van Leeuwen-concept.
Thomas bouwde een instrument met Hoofdwerk, Positief en Pedaal.
De volledig nieuwe claviatuur is gesitueerd aan de voorzijde van de hoofdkas. De windvoorziening in de onderkas bestaat uit een windmotor en twee spaanbalgen. Ter hoogte van de krans van de kas liggen de twee laden van het Hoofdwerk, beide met een cancelindeling in hele tonen en de grootste pijpen aan de zijkanten van de kas. De lade van het Pedaal bevindt zich achter de hoofdwerkladen. De windladen van het Positief liggen boven die van het Hoofdwerk; de heletoons pijpopstelling van het tweede werk is piramidaal.
Alle frontpijpen van het orgel zijn nieuw gemaakt, waarbij de indeling van Meere zoals zichtbaar op een foto uit 1907 is aangehouden.
De dispositie is ontworpen met het oog op koraalspel en uitvoering van literatuur uit de achttiende eeuw met flexibiliteit voor vroegere en latere stijlperioden.
Het project stond onder advies van Aart van Beek.
Op zondag 5 september 2010 begeleidde het instrument voor het eerst de gemeentezang in een kerkdienst.
De officiële ingebruikneming volgde op vrijdag 17 september met onder andere een bespeling door de beide organisten van de Grote Kerk, Jamie de Goei en Reitze Smits. Ter gelegenheid van het orgelproject (waaronder ook de restauratie van het kabinetorgel) gaf het College van Kerkrentmeesters van Vianen een mooi uitgevoerd boek uit over kerk, interieur en orgels.

Dispositie:


Hoofdwerk (I, C-f³)
Praestant 8’ C-a² in het front, vervolg op de bank van de Cornet
Unda Maris 8’/Praestant 8’ D c¹-a² in het front, vervolg op de bank van de Cornet; in de eerste stand van de registertrekker is het pijpwerk zwevend gestemd
Cornet D 5 st. op verhoogde bank achter het front; laagste koor gedekt, overige koren open, cilindrisch;
samenstelling:
c¹ 8 4 2²/3 2 1³/5
Bourdon 16’ C-h eiken, vervolg metaal; C-cis afgevoerd in de onderkas, d-h afgevoerd van de lade
Roerfluit 8’ C-H hout, gedekt; c-f³ metaal
Viola di Gamba 8’ C-H gecombineerd met de Roerfluit, c-f³ licht trechtervormig pijpwerk
Octaaf 4’  
Fluit 4’  
Quint 3’ conisch pijpwerk
Octaaf 2’  
Mixtuur 4-6 st. de registertrekker heeft twee standen; in de eerste stand (3-4 st.) spreekt geen van de tertskoren en vanaf c² en vanaf c2 ook het 5 1/3’-koor niet;
samenstelling:
C 1³/5 1¹/3 1 ²/3
c 2 1³/5 1¹/3 1
g 2²/3 2 1³/5 1¹/3 1
c¹ 4 3¹/3 2²/3 2 1¹/3 1
c² 5 ¹/3 4 3¹/3 2²/3 2 1¹/3
Fagot 16’ metalen koppen en stevels, licht trechtervormige bekers
Trompet 8’ metalen koppen en stevels
Positief (II, C-f³)
Holpijp 8’ C-H eiken, vervolg metaal
Flute travers 8’ C-H gecombineerd met de Holpijp; c-f³ metaal, niet overblazend
Praestant 4’ geheel op de lade
Roerfluit 4’ C-cis² roergedekt, vervolg open, conisch
Octaaf 2’  
Woudfluit 2’  
Sexquialter 2 st.  de registertrekker heeft twee standen; in de eerste stand spreekt alleen het kwintkoor;
samenstelling:
C 1¹/3 4/5
c 2 2/3 13/5
Mixtuur 2-3 st. samenstelling:
C 1 ²/3
c 1¹/3 1
c¹ 2 1¹/3 1
c² 2²/3 2 1¹/3
Dulciaan 8’ metalen stevels en koppen
Pedaal (C-d¹)
Subbas 16’ eiken
Octaaf 8’  
Octaaf 4’  
Bazuin 16’ eiken koppen en stevels
Trompet 8’ metalen stevels en koppen


Werktuiglijke registers
manuaalkoppeling B/D, desgewenst kunnen de mechanieken voor bas en discant worden gekoppeld zodat de gehele koppel met beide registerknoppen is te bedienen
twee pedaalkoppelingen
tremulant (gehele werk)
toonhoogte: a¹ = 440 Hz
winddruk: 80 mm Wk
stemming: volgens Neidhardt

 


Foto: Hans van der Gouwe



(Cees van der Poel)

Bronnen:
C. Bouwstra, A. van Beek, H. Spoor en H. Kluit, De Grote Kerk van Vianen. Geschiedenis, interieur, praalgraf en orgels, Vianen z.j. [2010]
www.grotekerkvianen.nl
www.orgbase.nl