Orgelbouwnieuws

Someren, St.-Lambertuskerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2011/01]

 

Foto's: Cees van der Poel

Blijkens een gedenksteen uit 1346 werd er in Someren al in de veertiende eeuw een kerk gebouwd, gewijd aan de heilige Lambertus. Of in deze kerk ook een orgel aanwezig was, is (nog) niet bekend. In 1648 ging de kerk over in handen van de protestanten. Voor de katholieken verrees een kapel, die in 1672 vervangen werd door een schuurkerk. In 1795 namen de katholieken de oude parochiekerk weer in gebruik, maar in 1809 sloot men een overeenkomst waarbij de kerk opnieuw aan de hervormden werd toegewezen. Twintig jaar later verving men de oude schuurkerk door een nieuwe ‘Waterstaatskerk’. Het is niet bekend of in de schuurkerk een orgel aanwezig was. Zeker is wel dat ook de nieuwe parochiekerk het nog een aantal decennia zonder orgel moest stellen. Volgens de bewaard gebleven notulen van het kerkbestuur kwam in de vergadering van april 1855 voor het eerst ‘het daar stelle eener nieuwe orgel’ ter sprake. Met algemene stemmen besloot men het orgel te laten maken door ‘Smits in den Reek’ en de orgelkas door ‘Buijse’.
De notulen van januari 1856 meldden dat er een ‘noodorgel’ was geplaatst en in april van dat jaar zond men de tekening van het nieuwe orgel ter goedkeuring aan de bisschop toe. In het archief van de orgelmakers Smits bleven vier verschillende dispositieontwerpen bewaard. Het meest uitgebreide plan dateert van oktober 1856. Smits stelde de volgende dispositie voor:

Manuaal Positief Pedaal  
Prestant 8’ Prestant 4’ Prestant [8’]  
Bourdon 16’ Viola [8’] Bourdon 16’  
Portunaal D 8’ Holpijp [8’] Fluit 8’  
Holpijp 8’ Fluit [4’] Prestant 4’  
Prestant 4’ Piccol [2’] Fagot 16’  
Fluit 4’ Flagelet [1’] Trompet 8’  
Quint 3’ Harmonica B/D [8’] Klairon [4’]  
Octaaf 2’   Cink [2’]  
Mixtuur III      
Trompet B/D 8’      
Klairon [4’]      

Ongetwijfeld waren daarnaast ook een manuaalkoppel en ten minste één pedaalkoppel voorzien; de beide andere dispositievoorstellen met vrij Pedaal telden er immers twee. Interessant is dat Smits voor de bas van de Viola (Positief), de grootste pijpen van de Prestant 8’ (Pedaal), de Fagot 16’ en de Trompet 8’ (Pedaal) ’cink’ (zink) wilde gebruiken. Van belang is ook dat bij een aantal registers de te volgen mensuurschaal is aangeduid. Zo zouden de registers Bourdon 16’, Fluit 4’ en Quint 3’ van het Manuaal worden gemaakt volgens mensuur nummer 5. Voor de Fluit 4’ van het Onderpositief was mensuur nummer 6 voorzien. Op het Pedaal zou de Bourdon 16’ mensuur nummer 3 krijgen; de Fluit 8’ nummer 4 en de Prestant 4’ nummer 2. Het betreffende archiefstuk bevat verder kostenposten voor de afzonderlijke registers, windladen, de mechanieken, de balgen, het vervoer en het kostgeld. Volgens de opgave zou het instrument (exclusief de kas) 4655 gulden kosten.
De bovenstaande opzet van het orgel was in financieel opzicht kennelijk een maatje te groot voor de parochie, want Smits noteerde zelf al dat provisioneel ook voor een kleiner plan kon worden gekozen. In de praktijk betekende dit dat de volgende registers voorlopig niet zouden worden geplaatst: Fluit 4,’ Quint 3’ en Klairon (Manuaal); Fluit, Piccolo, Flagelet en Harmonica B/D (Positief) en de Bourdon 16’, Fluit 8’, Prestant 4’, Fagot 16’, Trompet 8’, Klairon en Cink van het Pedaal. Kosten zonder deze reserveringen: 3275 gulden. Het kerkbestuur ging akkoord met de bouw van het orgel in de verkleinde vorm. De financiële last noopte het kerkbestuur overigens uiteindelijk tot het aangaan van twee leningen, waarvan één bij de orgelmaker.
Op 13 maart 1857 was het instrument klaar. De kas was, zoals van meet af aan al vaststond, een werkstuk van de Boxmeerse schrijnwerker J.F. Beuijssen (1809-1886) en kostte 1967 gulden. De oorspronkelijke ontwerptekening voor Someren bleef in het archief van de orgelmaker bewaard.

Omdat de kerkrekeningen vanaf 1862 niet bewaard gebleven zijn, is het moeilijk na te gaan of, en zo ja, welke werkzaamheden er in de loop der jaren aan het orgel werden uitgevoerd. Wel lijkt zeker dat het orgel tot tenminste 1868 bij Smits in onderhoud was. In elk geval voerde hij in 1867 en 1868 onderhoudswerkzaamheden aan het orgel uit. In 1872 ontving het kerkbestuur 200 gulden voor het orgel. Voor dit bedrag werd door ‘den Heer Antoon Franssen te Roermond’ een Viola di Gamba gemaakt, een ‘schoon register’ ter ‘begeleiding van den Prs. die aan ’t Altaar zingt’. Vermoedelijk is dit register op één van de vrije slepen van het Manuaal geplaatst.
In 1878 maakte orgelmaker Vermeulen uit Weert het orgel schoon. Mogelijk heeft Vermeulen ook in de daaropvolgende jaren het onderhoud van het orgel verzorgd. Wellicht dat in deze periode ook de thans aanwezige Salicionaal 8’ van het Onderpositief werd geplaatst.

Na de voltooiing van het huidige kerkgebouw (1925) werd het orgel overgeplaatst door de firma Gebr. Vermeulen (Weert). Uit bronnen van jonger datum valt af te leiden dat het instrument vrij ingrijpende wijzigingen onderging. Er kwamen nieuwe zinken frontpijpen, en vermoedelijk werden toen ook de drie oude spaanbalgen vervangen voor een magazijnbalg. Voor het Onderpositief vervaardigde men een nieuwe pneumatische kegellade met daarop de bestaande Holpijp 8’ en Salicionaal 8’; de Prestant 4’ verviel, evenals de Prestant 8’ van het Pedaal.
In 1963 volgde een ingrijpende renovatie, opnieuw door de firma Gebr. Vermeulen. Geheel in de geest van de tijd trachtte men de wijzigingen uit 1925 ongedaan te maken en het orgel volgens de gangbare ‘mode’ te voltooien. Het Onderpositief en het Pedaal kregen nieuwe sleepladen, de lade van het Hoofdwerk werd van een verende sleepconstructie voorzien. De claviatuur, die in 1925 al danig aangetast was, werd ‘gereconstrueerd’ en het orgel kreeg nieuwe frontpijpen van orgelmetaal. In plaats van de magazijnbalg vervaardigde men een geheel nieuwe windvoorziening, bestaande uit vier regulateurs met bladveren. Vermeulen wijzigde de dispositie en breidde die uit, waarbij de oorspronkelijke bedoelingen van Smits niet werden gevolgd. Op het Manuaal verviel de Bourdon 16’ en werden een Fluit 4’, een Cornet D 2 st. en een Klaroen 4’ toegevoegd. Op de nieuwe lade van het Onderpositief plaatste men behalve de twee oude achtvoets registers een nieuwe Prestant 4’, Roerfluit 4’, Super Octaaf 2’, Larigot 1 1/3’ , Scherp 3 st. en Kromhoorn 8’. Op het Pedaal plaatste men een Subbas 16’ (van de oude Bourdon), een nieuwe Prestant 8’ en een nieuwe Octaaf 4’.
In 1967/1968 werden de ontbrekende of te sterk verwormde ornamenten van de kas bijgemaakt en verguld. Nadat de kerk in 1989 was schoongemaakt en opnieuw geschilderd, onderging de orgelkas een schoonmaakbeurt en bracht men een nieuwe waslaag aan. Ten slotte voerde de firma Vermeulen in 1994 nog herstelwerkzaamheden uit en bracht onder meer nieuwe registerknoppen en opschriften in de stijl van Smits aan. Daarnaast veranderde de Larigot 1 1/3’ van het Onderpositief door opschuiving in een Flageolet 1’. De intonatie werd herzien.

Ondanks deze werkzaamheden verkeerde het instrument in 2006 in slechte staat. Naast mankementen aan uit 1963 daterende onderdelen bezat het instrument een klankbeeld dat nauwelijks raakvlakken met het werk van de orgelmakers Smits vertoonde, terwijl het grootste deel van het oorspronkelijke pijpwerk nog wel aanwezig was. Rogér van Dijk stelde namens de KKOR in 2007 een rapport en herstelplan op. Om alle technische en artistieke problemen en tekortkomingen te verhelpen, is in goed overleg met het kerkbestuur besloten het orgel zoveel mogelijk in de oorspronkelijke c.q. door Smits geplande toestand terug te brengen. Daarbij zou het pijpwerk van een aantal registers van Onderpositief en Pedaal worden gereserveerd. Uiteindelijk was het dankzij een gift mogelijk, buiten de oorspronkelijke opdracht en de bijbehorende subsidieregeling, het pijpwerk van enkele gereserveerde registers van het Onderpositief toch te plaatsen. De firma Verschueren Orgelbouw uit Heythuysen voerde de restauratie uit. De Rijksdienst voor het Cultureel Ergoed (RCE) wees subsidie toe in het kader van de Regeling Rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand (Rrwr) 2007. In november 2008 startten de werkzaamheden. Na demontage van het instrument kwamen enkele verrassingen te voorschijn die aanleiding gaven om het restauratieplan op punten te wijzigen. Bijzonder was de ontdekking dat het instrument van meet af aan twee pedaalkoppels moet hebben gehad. Tegelijk werd bekend dat bij de eveneens gestarte restauratie van het Smits-orgel in Deurne pijpwerk niet kon worden ingepast. In overleg met alle betrokken partijen besloot men dit pijpwerk te verwerven voor Someren om daar de dispositie van het orgel naar de toestand van 1857 te herstellen.
In september 2009 is in de kerk begonnen met de restauratie van de orgelkas. De montage van het instrument volgde in januari 2010. Op 19 mei 2010 kon het instrument worden gekeurd. Met de feestelijke ingebruikneming was op 11 juli.

De orgelkas is schoongemaakt en waar nodig hersteld, met handhaving van de in 1963 toegevoegde opdik van de achterwand. Ook de uit 1963 daterende deuren in de achterwand zijn gehandhaafd, maar de opengewerkte panelen zijn vervangen door dichte exemplaren. Het originele stijl- en regelwerk van de inwendige draagconstructie is gerestaureerd en gecompleteerd. Zeer interessant was de vondst van de aanduiding van de volgorde der registerknoppen, die op de stijlen was afgetekend. Enkele originele delen zijn niet opnieuw gebruikt maar vervangen door nieuwe om zodoende bestaande sporen te behouden; alle originele delen zijn bij het orgel bewaard.
Tijdens de werkzaamheden aan de kas bleek dat de stabiliteit van de grote zijvelden te wensen over liet, zeker indien (ooit) het volledige pijpwerk van het Pedaal zal worden geplaatst. Daarom is de kas met een ijzeren draagconstructie verstevigd.

De claviatuur is naar voorbeelden van Smits gereconstrueerd in de oorspronkelijke positie aan de achterzijde van het instrument. Tijdens de werkzaamheden leverde een teruggevonden foto van de claviatuur van vóór 1963 informatie voor de aanleg en detaillering van één en ander. De aangetroffen omvang van het Pedaal (C-d1) is gehandhaafd; oorspronkelijk had het Pedaal een omvang van C-c1. Alle toetsen zijn van eiken, evenals de orgelbank. De bakstukken, lijsten en registerknoppen zijn van ebben. De ondertoetsen zijn belegd met been dat in twee delen is opgelijmd. De boventoetsen zijn voorzien van ebben beleg. Voor de detaillering van de bakstukken, lijsten en registerknoppen stond verder het orgel van Aarle-Rixtel (1854) model.
De toetsmechaniek is in haar geheel gereconstrueerd, uitgaande van de aanwijzingen die het orgel zelf bood en andere instrumenten van de orgelmakers Smits. De wellenramen en de wellen zijn van eiken; voor de armpjes is Zapatero toegepast. De abstracten zijn van grenen. Om ruimte te bieden aan de treklatten van de registermechaniek voor het Pedaal is het wellenraam van het Manuaal in twee delen uitgevoerd. De toetsmechaniek van het Onderpositief is gerealiseerd met behulp van stekers. Via winkelbalken loopt de mechaniek naar een liggend wellenraam voor de tonen C-h, de overige abstracten lopen vanaf de winkelbalk waaiervormig naar de lade.
De toetsen van het Pedaal zijn via winkels verbonden met een liggend wellenraam dat zich over de gehele breedte van de onderkas uitstrekt. De abstracten worden vervolgens in banen langs de beide zijwanden omhoog geleid en op kransniveau verbonden met twee liggende wellenramen (onder elke lade één). De armen zijn vervolgens rechtstreeks verbonden met de pulpeetdraden in de laden.
De nog aanwezige originele delen van de registermechaniek zijn gehandhaafd en gerestaureerd. Dit betrof in hoofdzaak de walsen en walsdragers van het Manuaal met de bijbehorende zwaarden en balansbalken. Omdat de balansbalken van oudsher waren ingericht voor de zwaarden van Manuaal en Pedaal, gaven ze ook aanwijzingen voor de indeling van de windladen van het Pedaal.
Alle treklatten zijn nieuw gemaakt en de nieuwe trekkers zijn aangebracht conform de aanwijzingen in het orgel zelf (aantekeningen en positie registerzwaarden). De in 1994 aangebrachte knoppen zijn gehandhaafd, maar alle registerplaatjes zijn opnieuw gegraveerd conform de gewijzigde dispositie. Ontbrekende knoppen en plaatjes zijn bijgemaakt.
De windvoorziening is geheel nieuw opgezet. De balgstoel (grenen) met de drie spaanbalgen (grenen met eiken vouwen) en trapinstallatie is ontleend aan het Smits-orgel uit Gemert (1833), waarbij rekening is gehouden met de maten die van de oorspronkelijke balgstoel uit Someren bekend waren. Uit praktische overwegingen is de ruimte tussen balgstoel en orgelkas iets groter genomen dan in 1857, zodat er achter de claviatuur wat meer ruimte is.
De nieuwe windkanalen zijn vervaardigd naar het voorbeeld van Smits. Daarbij is de originele inlaat in de voorslag van de lade van het Manuaal weer benut; de niet-originele inlaten zijn dichtgemaakt. Vanwege de krappe ruimte in de kas is ervoor gekozen de kanalen voor het Pedaal op dezelfde wijze aan te leggen. Ook deze laden worden dus gevoed door een kanaal dat op de voorslag is aangesloten. Op basis van aanwijzingen in het orgel is voor het Onderpositief een apart kanaal aangelegd, dat, links van de claviatuur, over de vloer van de orgelgalerij naar de lade voert.
De nieuwe conducten naar het front en de afgevoerde pijpen zijn van orgelmetaal.
De oude windlade van het Manuaal is gerestaureerd. De lade is tot op het cancellenraam gedemonteerd. Losse sponsels zijn opnieuw ingelijmd en scheuren zijn gedicht. Dat geldt ook voor de later aangebrachte ontlatingsgaten. In enkele brede scheien zijn dilatatievoegen aangebracht. Verder is de lade uitgegoten met warme lijm. De restanten van oude ijzeren pinnen (o.a. stokschroeven en aanslagen van de slepen) zijn verwijderd. Op deze plaatsen is oud eikenhout ingepast om een en ander opnieuw en degelijk te kunnen bevestigen. Verder zijn bij de staarten van de ventielen bruggetjes ingefreesd. Aan de bovenzijde van de lade is een doorgaande belering aangebracht. Op het sleepbed en onder de stokken zijn geweven ringen aangebracht; de hoogte van de dammen is daartoe aangepast. De gewijzigde doorvoeren in de pulpeetplank zijn gepropt en opnieuw geboord en gebrand. De niet-originele geleiding van de ventielen is eveneens naar historisch voorbeeld vernieuwd, maar de verenlijst uit 1963 is gehandhaafd. Wel zijn de ventielveren, pulpeten en het bijbehorende draadwerk in Smits-factuur vernieuwd. Ten slotte zijn de voorslagsluitingen in stijl bijgemaakt. De originele slepen, stokken en roosters zijn waar nodig hersteld. Uit nadere bestudering kon ook de oorspronkelijke registervolgorde van de lade worden vastgesteld, alsmede de wijze waarop deze in het verleden veranderd werd. In goed overleg is uiteindelijk besloten de oorspronkelijke ladevolgorde te herstellen zodat het oude pijpwerk weer op zijn oorspronkelijke plaats zou komen te staan. De niet-originele opdik op de stok van de Quint 3’ is verwijderd. Verder zijn ook de niet-originele roosters en bruggen verwijderd en - waar nodig - vervangen door nieuwe exemplaren conform de werkwijze van Smits.
Voor Onderpositief en Pedaal zijn nieuwe eiken sleepladen in Smits-factuur vervaardigd. Voor het Pedaal zijn in de brede zijvelden van de kas afzonderlijke C- en Cis-laden aangebracht voor de oorspronkelijke dispositie van acht stemmen. Deze laden zijn ingedeeld in hele tonen vanaf de buitenzijde naar binnen toe aflopend. De indeling van de lade van het Onderpositief is uiteindelijk vooral bepaald door de beschikbare hoogte in de kas, uitgaande van de positie van de walsdragers van de registermechaniek van Manuaal en Pedaal. Net als onder andere bij het Smits-orgel in Deurne is de lade van het Onderpositief daartoe van uitsparingen voorzien.
Het historische pijpwerk is schoongemaakt en hersteld. Om de oorspronkelijke toonhoogte te herstellen zijn de later aangebrachte steminrichtingen gedicht en is het afgesneden pijpwerk verlengd. Het gehandhaafde pijpwerk uit 1963 is aan de oorspronkelijke toonhoogte en het klankbeeld van het historische materiaal aangepast.
Uitgebreid onderzoek wees uit dat de van Someren bekende mensuuraanduidingen van Smits naar concrete pijpdiameters konden worden vertaald. Naast deze uitgangspunten stonden vooral de orgels van St.-Oedenrode, Oirschot en Schijndel model voor de reconstructie. Het via Deurne beschikbare pijpwerk bleek daadwerkelijk conform de bedoelingen van Smits te kunnen worden ingezet.
Helaas is de oorspronkelijke herkomst van dat Smits-pijpwerk niet helemaal duidelijk. Een deel van het materiaal zou uit het voormalige orgel van Malden (1852) afkomstig zijn. In het bestand bevonden zich echter ook registers die niet in het orgel van Malden aanwezig waren. Bovendien telde het bestand twee registers Fluit 4’ beide met de aanduiding P (Positief).
Op de complete Fluit 4’ (van de andere was alleen de bas bewaard) werd de aanduiding ‘Leuth’ aangetroffen; het is derhalve niet ondenkbaar dat dit register afkomstig is van het voormalige orgel van Leuth (1872). Omdat de herkomst van het overige Smits-pijpwerk dat via Deurne werd verworven niet achterhaald kon worden, is dit in de onderstaande dispositie aangeduid als ’Smits’. (Cees van der Poel)

Dispositie (volgorde op de laden)

Manuaal (C-f3)
Prestant 8 vt C-h front, 1963 (middentoren en aangrenzende velden), vervolg 1857
Bourdon 16 vt C-d1 1857; overige pijpen via Deurne (dis1-h2 Smits) C-h eiken (gedekt), vervolg metaal (gedekt) met zijbaarden
Portunaal 8 vt Disc. 1857; tin, open, conisch met boogvormige opsnede; f3 cilindrisch (uit oorspronkelijke Viola di Gamba 8’ Smits); c1-d2 en f3 met zijbaarden
Holpijp 8 vt 1857 C-H eiken, vervolg metaal (gedekt) met zijbaarden
Prestant 4 vt 1857
Fluit 4 vt Smits (uit Leuth); C-f2 gedekt, vervolg open, cilindrisch
Octaaf 2 vt 1857
Quint 3 vt nieuw; C-h gedekt, discant open, cilindrisch
Mixtuur 1 ½ vt 1857. Samenstelling: C 1½ 1 ½ c 2 1½ 1 c1 3 2 1 c2 4 3 2
Trompet 8 vt Bas 1857/1963/1994
Trompet 8 vt Disc. 1857
Klairon 4 1963, gis2-f3 labiaal
Onderpositief (Manuaal I, C-f3)
Prestant 4 vt C-c1 front, 1963 (zijtorens en aangrenzende velden), vervolg nieuw
Viola de Gamba 8 vt  C-G in Holpijp, Gis-h nieuw, rest via Deurne, Smits (behalve c2 en dis3)
Holpijp 8 vt 1857 C-H eiken, vervolg metaal (gedekt)
Fluit 4 vt nieuw; C-f2 gedekt, overige open, cilindrisch
Piccolo 2 vt via Deurne verworven, C-f1 Smits
Flagelet 1 vt nieuw
Harmonica 8 vt Bas gereserveerd
Harmonica 8 vt Disc. gereserveerd
Pedaal (C-d1)
Prestant 8 vt 1963, C-Dis afgevoerd, E-dis in het front, e-d1 op de laden
Bourdon 16 vt nieuw (eiken)
Fluit 8 vt gereserveerd
Prestant 4 vt 1963
Fagot 16 vt gereserveerd
Trompet 8 vt gereserveerd
Klairon 4 vt gereserveerd
Cink 2 vt gereserveerd


Werktuiglijke registers
Koppel Man: Pos:
Koppel Ped: Man:
Koppel Ped: Pos:
Ventil (motorschakelaar

toonhoogte: a1 = 422,5 Hz bij 18ºC
winddruk: 74 mm Wk
stemming: evenredig zwevend



Bronnen:
Rogér van Dijk, Rapport en restauratieplan betreffende het Smits-orgel in de Sint-Lambertuskerk te Someren (Utrecht 2007);
Rogér van Dijk, Eindrapport betreffende het Smits-orgel in de Sint-Lambertuskerk te Someren (De Bilt 2010).
Beide bronnen zijn ongepubliceerd en welwillend door de auteur ter beschikking gesteld.