Orgelbouwnieuws

Etten (Gld), Maartenskerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2010/06]

 

Carl Friedrich August Naber, orgelmaker in Deventer, maakte in 1843 een nieuw éénklaviers orgel met aangehangen pedaal voor de Hervormde Kerk van Etten.
Dat was twee jaar nadat de kerk door brand getroffen werd en het dak instortte. Het bestek voor het nieuwe orgel, dat bewaard is gebleven, vermeldt acht registers.
Het orgel kostte 1.245 gulden inclusief kas. Het metalen pijpwerk bestaat volgens bestek uit een derde tin en tweederde lood. De frontpijpen kregen “opgeworpene labiums en met staniool of foeliebladen belegd”. Het houten pijpwerk is van “beste droog en zacht wagenschot”. Het orgel heeft een mechanisch geregeerde eiken windlade met een cancelindeling in hele tonen, de grootste pijpen staan in het midden. Naber paste geen “vroegere en nog thans aangewende pulpeten of lederzakjes” toe, maar voorzag de fundamentplank van de ventielkast van “eenen koperen lijst met wild leder bevoerd ten einde het windverlies te verhinderen.” Zoals gebruikelijk voorzag hij de eiken toetsen van ivoren beleg en de semitoetsen van massief ebbenhout. Ook de bakstukken en klavierlijsten waren van ebben. Het orgel kreeg twee spaanbalgen. Verder verplichtte Naber zich “alle registers of stemmen een iegelijk naar zijn eigen aard, krachtig, doch tevens mollig en lieflijk te intonneren [sic] en naar de tegenwoordig in gebruik zijnde gelijkzwevende temperatuur en goede harmonie op orchesttoon te stemmen.”
In 1945 leden kerk en orgel zwaar onder het oorlogsgeweld. Alleen de kas van het orgel raakte zwaar beschadigd, het binnenwerk bleef grotendeels bewaard omdat het tijdig in veiligheid was gebracht. In de jaren 1948-1956 zijn kerk en toren gerestaureerd.
Bij die gelegenheid is de travee van het schip tegen de toren weer bij de kerkruimte getrokken. In 1787 scheidde men deze travee af en was de ontstane ruimte in gebruik als school.
Deze ingreep had gevolgen voor de plaatsing van het orgel, dat tot dan toe tegen de scheidingswand tussen kerk en school had gestaan. Tegen de toren realiseerde men een nieuw betonnen orgelbalkon, dat echter niet, zoals het oude, van muur tot muur liep.
De grondvorm van het balkon en de aansluiting van de orgelkas op het balkon is niet geheel uitgevoerd in de trant van Naber, die zijn fronten vrijwel altijd iets liet uitspringen ten opzichte van de borstwering van de balustrade. De firma Van Vulpen uit Utrecht voerde de restauratie van het instrument en bij extra opdracht ook die van de kas uit. Van de oude kas gebruikte men het front en de kappen opnieuw. Ook het handklavier, de bakstukken en de registerknoppen waren bewaard gebleven. Alle andere delen van de kast werden nieuw gemaakt. De twee spaanbalgen kwamen in een nieuwe balgstelling terecht in de torenruimte achter het orgelbalkon.
Het frontpijpwerk is nieuw gemaakt, naar bleek tijdens de jongste restauratie in ieder geval wat betreft de diameter in de mensuur van Naber. De gebroeders Van Vulpen vernieuwden ook een aantal binnenpijpen en ze brachten nieuwe voetpunten of opzetstukken op corpora aan. Het is een raadsel gebleven wanneer en waarom de toonhoogte van het instrument naar bijna 460 Hz voor a¹ is gebracht, ongeveer een halve toon boven de orkesttoon van 1843. Ten slotte herzag men de intonatie naar de smaak van de tijd op basis van wijde voetopeningen.
In 1996 werd de Stichting Oude Gelderse Kerken eigenaar van het kerkgebouw. Er volgde een restauratie die tot 2003 duurde.
In deze periode ondernam men pogingen het orgel ook gerestaureerd te krijgen. Hans van Nieuwkoop schreef daartoe in 1997 een rapport. De benodigde subsidie kon pas in 2008 verstrekt worden in het kader van de achterstandsregeling, onderdeel van het Brim. De eigenaar gunde de werkzaamheden aan Elbertse Orgelmakers in Soest. Adviseur van de stichting was Cees van der Poel.
De kas is hersteld waar nodig. De detaillering van de panelen van de zijwanden en de achterwand is in meer negentiende-eeuwse stijl gewijzigd. De achterwand is met het oog op een betere bereikbaarheid van het interieur veranderd. Op basis van verschillende kleuronderzoeken is gekozen voor herstel van de oorspronkelijke witte kleur, zoals uiteraard alleen nog aangetroffen op de frontdelen uit 1843. Het orgel heeft in zijn bestaan achtereenvolgens een witte kleur gehad, een houtimitatie, een mintgroene (1953) en een grijze kleurafwerking. Als uitgangspunt diende de kleur van het orgel in de Lutherse Kerk van Doesburg (Naber, 1845). De ornamentiek is door schilder Burgers Van der Wal uit Doetinchem ontdaan van de latere verflagen. Daaronder kwam een vrijwel doorlopende vergulding te voorschijn, afgewerkt met een donker patina. Beide elementen zijn hersteld volgens de gevonden aanwijzingen.
De bekronende vazen en lier zijn in navolging van andere Naber-fronten voorzien van gepatineerd goudwerk. Behalve de kas zijn ook het orgelbalkon en de trap in ivoorwit geschilderd. De claviatuur is gerestaureerd. De registerplaatjes van 1953 zijn vervangen door een houten zwarte strook met opschriften in goud, naar het voorbeeld van de orgels in Doesburg en Voorst (Hervormde Kerk, 1843). De bank in Doesburg heeft model gestaan voor de nieuwe in Etten van gebeitst eiken. De beide balgen zijn voorzien van nieuwe belering. Het deel van de kanalisatie tussen balg en windlade van 1953 is versmald naar een maat die past bij het werk van Naber. Toets- en registermechaniek zijn hersteld.
Het walsraam onder de lade is recht gemaakt en enige slappe houten wellen vervangen. De wellenarmpjes van 1953 zijn vervangen in messing. De windlade is tot op het cancelraam uiteengenomen, lekkages gedicht en uitgelijmd. Boven- en onderzijde van de windlade zijn voorzien van doorlopende belering. De slepen schuiven tussen textielen ringen. Alle ventielveren zijn vervangen, evenals de trekdraden. Tijdens de inventarisatie van het pijpwerk bleek dat veel spraakstukken zich nog in vrij onaangetaste toestand bevonden. Herstel van de oorspronkelijke toonhoogte zou het klankbeeld dicht in de buurt van dat van Naber kunnen brengen.
De eigenaar besloot tot herstel van de toonhoogte en liet daarvoor de wens voor vernieuwing van het frontpijpwerk varen.
Alle pijpwerk is verlengd, waarbij oude opzetstukken ook zijn vervangen.
Het toonhoogteherstel bood ook de kans de schalbekers van de Dulciaan weer een samenhangend lengteverloop te geven.
De frontpijpen van 1953 en met name het enigszins niet-Naberse voetlengte- en labiumverloop voedden de twijfel of in 1953 het front letterlijk gereconstrueerd was. Een montage van een foto uit 1945 van de restanten van de kas en die van het huidige front liet duidelijk zien dat Van Vulpen niets veranderde aan de kas of het aantal frontpijpen. Een veronderstelde oorspronkelijke deling van de tussenvelden was hiermee ook van tafel. Naber paste vaker relatief hoge ongedeelde tussenvelden toe, bijvoorbeeld in de Joriskerk in Amersfoort in 1845, en in 1846 in het Rugwerk van het orgel in Apeldoorn dat door brand verloren ging in 1890. De frontpijpen zijn hersteld en in de tussenvelden voorzien van een extra rugstuk. De door Van Vulpen nieuw gemaakte binnenpijpen zijn gehandhaafd. Van veel pijpen bleken de voetpunten aangetast; deze punten zijn vernieuwd. Ten slotte is de intonatie herzien op basis van een nieuw vastgestelde winddruk. Het orgel kreeg, net als in 1843, een evenredig zwevende stemming.
Na ruim een jaar te hebben gezwegen, klonk het orgel weer in de zomermaanden van dit jaar. Op 1 september 2010 volgden de eindkeuring, overdracht en inspeling van het gerestaureerde orgel.

Cees van der Poel

Dispositie Naber-orgel in de Maartenskerk te Etten (Gld)

Manuaal (C-f³)  
Prestant 4’ C-a in het front, vervolg op de lade, dis³-f³ 1953
Holpijp 8’ f, dis², g², h², d³ 1953; C-H afgevoerd, eiken, deels ronde opsneden
Fluit travers D 8’ dis¹, f¹, g¹, g², h², f³ 1953; in de bas gecombineerd met Holpijp; metaal, open, cilindrisch, spitse bovenlabia
Gemshoorn 4’ h², c³, cis³, e³, f³ 1953; metaal, open, conisch, spitse bovenlabia
Fluit 4’ dis², f², cis³ 1953; C-f² gedekt, zijbaarden, ronde bovenlabia, ronde opsneden;fis²-f³ metaal open, conisch, spitse bovenlabia
Octaaf 2’ f³ 1953; metaal, open, spitse bovenlabia
Flageolet 1’ dis²-f³ 1953; metaal, open, spitse bovenlabia
Dulciaan B/D 8’ eiken stevels en koppen, kelen, tongen, krukken messing; metalen cilindrische bekers;loodbeleg tot en met b, verder toepassing van leer en papier

Pedaal (C-f) aangehangen
Werktuiglijk register
windlozer
toonhoogte: a¹ = 435 Hz
winddruk: 71 mm Wk
stemming: evenredig zwevend

Bronnen:
Hans van Nieuwkoop, Rapport betreffende het orgel in de Hervormde Kerk te Etten, Haarlem 1997;
Archief Cees van der Poel;
www.oudegeldersekerken.nl