Orgelbouwnieuws

Voorschoten, St.-Laurentius
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2010/06]

 

Johannes Mitterreither bouwde tussen 1780 en 1792 een orgel voor de rooms-katholieke schuurkerk in Voorschoten.
In een document van 1792 werd bepaald dat er missen zouden worden opgedragen ter nagedachtenis van pastoor Van der Burg, schenker van het orgel. Hij overleed overigens pas in 1805. Het is niet onwaarschijnlijk dat de betreffende verordening is opgesteld ter gelegenheid van de bouw van het orgel. Het balustrade-instrument telde negen registers op een handklavier van vierenhalf octaaf.
In 1833 restaureerde orgelmaker Hagedoorn het instrument en acht jaar later nam Leonard van den Brink het orgel onder handen. Waarschijnlijk had hij het onderhoud in portefeuille na de dood van Mitterreither in 1800. In 1863 vatte de parochie het plan op voor een nieuw, groter kerkgebouw dat in 1868 werd ingezegend. Van 1869 tot 1871 luisterde een noodorgel de mis op.
In dit laatste jaar plaatste Van den Brink junior, Matthias, een orgel op de zangzolder van de nieuwe kerk met een vrijstaande speeltafel. Van den Brink paste dit type speeltafel eerder toe in Warmond (St.-Matthias) en Heemstede (St.-Bavo). Als kern diende het instrument van Mitterreither van wie nagenoeg alle pijpwerk werd hergebruikt.
Vermoedelijk kon het instrument in juli 1871 al bespeeld worden. De oplevering volgde echter pas in 1875-1876; in 1875 werden de frontpijpen van de Prestant 8’ geplaatst en in 1876 vond de afrekening met Van den Brink plaats.
Voor het bijgeplaatste materiaal putte Van den Brink uit achttiende-eeuws pijpwerk van tot nu toe onbekende herkomst. De frontpijpen van de Prestant 8’ bestelde hij bij Henri Zimmermann in Parijs.
Tussen 1904 en 1909 plaatste orgelmaker Maarschalkerweerd de speeltafel naar achteren onder het orgel om meer ruimte te creëren voor koor en dirigent. In 1927 bracht P.C. Bik (jr.) een elektrische windmachine aan.
Twee jaar later bleken de windladen lek en was het orgel onbespeelbaar. Bik leverde een harmonium als tijdelijke vervanging van het orgel en diende bij het kerkbestuur plannen in voor een drastische ombouw van het orgel. Als adviseur bij dit werk trad op Charles de Meulder, pastoor in Heerhugowaard.
Deze had oor voor de klankkwaliteit van het Van den Brink-orgel en het is wellicht aan hem te danken dat Bik het pijpwerkbestand van Mitterreither/Van den Brink hergebruikte in het nieuwe concept.
Het is niet ondenkbaar dat ook financiële redenen aan het hergebruik ten grondslag hebben gelegen.
Eind januari 1932 klonk het orgel opnieuw. Het had nu pneumatisch geregeerde kegelladen. Het tweede werk stond in een zwelkast. Op dit manuaal prijkte een nieuwe, toegevoegde Vox Célèste 8’ (discant) en Bik veranderde de Roerquint 3’ van hetzelfde werk in een Roerfluit 4’. Door middel van transmissie waren de Bourdon 16’ en de Prestant 8’ van het Hoofdwerk bespeelbaar op het Pedaal. Een nieuwe speeltafel, voorzien van de gebruikelijke vaste en vrije combinaties en super- en suboctaafkoppels stond onder het orgel. De orgelkas was grondig verbouwd. Uit recent onderzoek blijkt dat de binnenste tussenvelden inclusief tootlijsten door Bik zijn verwijderd, evenals vermoedelijk de centrale wimberg op het middenveld, de wimbergen op de binnenste tussenvelden en de bekroningen van de twee zijtorens. Het dak van de orgelkas moest wijken voor inbouw van de zwelkast.
Tijdens de restauratie van het interieur van de kerk in 1954 werd de gehele orgelkas inclusief de deuren naar de trap en de torenzolders alsook de balustrade van het oksaal wit overgeschilderd. In 1958 maakte Bik het instrument, dat had geleden onder de kerkrestauratie, schoon. In 1963 bekleedde hij de zwelkast met hardboard, met het oorspronkelijke plaatmateriaal hadden houtwormen zich gevoed. Waarschijnlijk in het stookseizoen van 1965 op 1966 kregen de windladen de genadeklap door toedoen van een nieuw geïnstalleerde verwarming. Bik diende nog een plan in voor vervanging van de laden door opnieuw kegelladen, maar het bestuur ging te rade bij Jos Vermeulen uit Alkmaar die liever nieuwe mechanisch geregeerde laden leverde. Nog andere oplossingen passeerden de revue, mede met het oog op de begeleiding van het koor dat inmiddels niet meer boven bij het orgel zong maar beneden op het priesterkoor. Geen van alle werd gerealiseerd.
De parochie schafte een koororgel aan dat kwam te staan op de plaats van het vroegere hoofdaltaar. Het Van den Brink-orgel zweeg.
Begin jaren 1990 wees adviseur Hans van der Harst (KKOR) op de historische achtergrond van het buiten gebruik gestelde instrument.
Ook de organist van de Dorpskerk in Voorschoten, Henk Walvaart, attendeerde het kerkbestuur op het artistieke potentieel achter op het oksaal.
Namens de KKOR bracht Ton van Eck in 1993 een rapport uit en in 1999 volgde een beknopt restauratieplan.
Eind 2002 presenteerde organist van de kerk, Richard Bot, samen met Louise Hillen een adviesnota waarin hij pleitte voor vervanging van het gebrekkig functionerende koororgel, met daarbij een visie hoe het gerestaureerde hoofdorgel in de toekomst in de liturgie te gebruiken.

Een nieuw, door Verschueren uit Heythuysen gebouwd koororgel werd in november 2007 in gebruik genomen.
De dispositie luidt:
Manuaal I: Holpijp 8’, Fluit B/D 4’;
Manuaal II: Holpijp 8’ (transmissie Man. I), Prestant D 8’, Quint 3’ (vanaf g), Octaaf 2’;
werktuiglijke registers: manuaalkoppel.
Het instrument beschikt over een aangehangen pedaal en is gestemd in de Bach/Kellner-stemming.

Na ampele overweging werd Verschueren ook gekozen om het grote orgel te restaureren.
Om de bruikbaarheid van het instrument in de huidige liturgie te vergroten besloot men het concept van Van den Brink, dat alleen gericht was op koorbegeleiding, te vergroten met een zelfstandig pedaal en een Mixtuur op het Hoofdwerk.
Medio november 2007 demonteerde Verschueren het binnenwerk en de windvoorziening.
Op 16 juli 2009 nam de parochie haar herboren orgel opnieuw in gebruik.
Het doksaal en de balgruimte in de toren zijn schoongemaakt en de constructie van de zangzolder gecontroleerd.
De balgruimte en op de plaats waar het binnenwerk van het orgel en de speeltafel staat, zijn voorzien van een nieuwe houten dekvloer.
Een stilistische analyse van orgelkassen in kerken, ontworpen door Theo Asseler (architect van de Laurentiuskerk), diende als basis voor de reconstructie van frontdelen die in 1932 verdwenen zijn. De orgelkas is door schildersbedrijf Ruud Geers uit Voorburg gehout in eiken imitatie in de kleurstelling van 1875/1876. De voorste vier massief eiken kolommen zijn afgeloogd en tonen hun oorspronkelijke kleur. De deurtraceringen herkregen hun groene kleur.
Reconstructie van de speeltafel geschiedde naar voorbeeld van Warmond, het pedaalklavier, de registeropschriften en de orgelbank zijn in de trant van Heemstede.
De ‘nieuwe’ Mixtuur (HW) is geheel van 2009 in Mitterreither-factuur, voor de samenstelling koos men de Mixtuur van Van den Brink uit Bleiswijk (1842).
De Cornet heeft nu negentig historische pijpen en zestig nieuwe; de Roerquint 3’ kreeg twaalf nieuwe pijpen.
Voor het zelfstandige Pedaal gebruikte Verschueren de Subbas 16’ en de Open fluit 8’ die overbleven na reconstructie van het orgel in de Caroluskapel in Roermond (2006).
De Subbas is van de Gebr. Müller uit Reifferscheidt (Duitsland) en dateert van 1878.
Het groot octaaf van de Open fluit is van M. Pereboom & Zonen (1927), het vervolg van P. Vermeulen (1888).
De Trombone 8’ is in Van den Brink-factuur naar voorbeeld van de Trompet 8’ van het Hoofdwerk maar met een iets wijdere mensuur.
Bij het pijpwerkonderzoek werd op aan de binnenkant van de hoed van fis van de Holpijp 8’ (HW) een gravure aangetroffen van een portret van een man.
Het zou kunnen gaan om een (zelf-)portret van Matthias van den Brink.

Dispositie: M = Mitterreither, B = Van den Brink, Z = Zimmermann

Manuaal (I, C-f3)
Bourdon 16’ B/18de eeuws
Prestant 8’ B/Z
Fluit travers D 8’ M
Holpijp 8’ B/M
Octaaf 4’ B/M/18de-eeuws
Fluit 4’ M/18de-eeuws
Quint 3’ B/M/18de-eeuws
Octaaf 2’ M
Cornet 5 st. M/2009
Mixtuur 2-4 st. 2009
Trompet 8’ B
Positief (II, C-f3)
Prestant 4’ B
Viola da Gamba 8’ B; vanaf c
Holpijp 8’ B/M
Fluit 4’ B/18de-eeuws/M?
Roerquint 3’ B/2009
Blokfluit 2’ 18de-eeuws/M
Pedaal (C-f1)
Subbas 16’ 1878
Open fluit 8’ 1888/1927
Trombone 8’ 2009

 

Werktuiglijke registers
gedeelde manuaalkoppel
pedaalkoppel
tremulant
toonhoogte: a1= 438 Hz bij 18°C
winddruk: 76 mm Wk
stemming: evenredig zwevend


Bron:
Brochure ter gelegenheid van de restauratie door Verschueren (2009);
Richard Bot