Orgelbouwnieuws

Nieuw-Loosdrecht, Sijpekerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2010/06]

 

In 1889 bood de Fa. Gebr. Franssen te Roermond een in hun werkplaats gereed staand tweemanuaals orgel met aangehangen pedaal te koop aan.
De kerkenraad van de Gereformeerde Stationsstraatkerk in Zaandam besloot in hetzelfde jaar het instrument te kopen. Op 24 december 1889 werd het orgel in gebruik genomen. Met de plaatsing was een bedrag van negentienhonderd gulden gemoeid, hetgeen doet vermoeden dat het instrument ingrijpend werd verbouwd.
Franssen gebruikte een bestaand front dat wel gedateerd wordt op circa 1845. Mogelijk plaatste hij in 1889 andere vleugelstukken die eveneens rond 1845 kunnen gemaakt zijn. Het is tot op heden niet opgehelderd waarom de orgelmaker een ander front plaatste voor de bestaande kas.
Vergelijkend onderzoek met orgelfronten uit het zuiden van het land, inclusief aangrenzende buitenlandse, bood geen definitieve conclusie over de ontwerper van het Zaandamse front. Vooralsnog past het ontwerp het beste in de traditie van Franssen zelf.
De herkomst van de kas die Franssen gebruikte is niet bekend. De pedaalomvang van C-g wijst erop dat een bestaand pedaalklavier werd hergebruikt.
Of een voorstel van Franssen uit 1890 om de frontpijpen en de Subbas 16’ Bas van een elektrische tractuur te voorzien is uitgevoerd, valt niet meer na te gaan door ingrepen uit 1940. Ook in 2009 zijn geen sporen aangetroffen van een verwijderde elektrische aansluiting van de frontpijpen. Wel is het voorstel op zichzelf een aanwijzing dat de conducten- aansluiting van de frontpijpen en de grootste subbaspijpen op de hoofdwerklade problemen opleverde. In 1890 plaatste Franssen in ieder geval een nieuwe Cornet D IV st. op het Hoofdwerk.
De claviatuur werd vanuit de kerk gezien aangebracht aan de linker zijde van de kas en Franssen plaatste in de onderkas een nieuwe magazijnbalg met schepbalgen, getreden aan de rechter kant van het orgel. Naar klassieke gewoonte bediende het eerste manuaal het Positief en het tweede het Hoofdwerk.
Voor het Hoofdwerk gebruikte Franssen een bestaande windlade. Vermoedelijk behoorde deze oorspronkelijk bij de orgelkas. De cancelindeling van deze windlade sluit in elk geval aan bij de frontindeling: v.l.n.r. d-d1 in tertsen, e3-e1 in hele tonen, c-C & Cis-cis in hele tonen, f1-f3 in hele tonen, dis2-dis1 in tertsen. Een kleinere, eveneens bestaande windlade van onbekende herkomst, met zeven slepen werd gebruikt voor het Positief. De omvang van C,D-f3 was in Limburg en in het Rijnland gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw niet ongebruikelijk.
Deze positieflade stak aan de achterzijde uit de orgelkast en had een indeling in hele tonen, met de grootste pijpen in het midden. Het is daarom niet waarschijnlijk dat ze vóór 1889 behoorde tot het hergebruikte front of orgelkas.
Peter van Dijk, adviseur bij de plaatsing in Loosdrecht waagt de volgende voorlopige poging tot een globale (pijpwerk-)datering van het in 1889/1890 gerealiseerde concept
(R XIXA = Rijnlands, eerste helft negentiende eeuw. L XIXA = Limburgs, eerste helft negentiende eeuw):

Hoofdwerk (II, C-f3)
Subbas 16’ Bas/Dulcis 16’ Disc. C-h hout, 1889; vervolg metaal, L XIXA
Prestant 8’ Bas/Disc. C hout, 1889; Cis-a2 front Franssen ca. 1845; vervolg R XIXA
Bourdon 8’ Bas/Disc. C-c hout, 1889; vervolg metaal R XIXA
Viola 8’  C-c gecombineerd met de Bourdon 8’; vanaf cis R XIXA
Octaaf 4’ R XIXA
Fluit 4’ C-fis2 roergedekt, R XIXA; vervolg open, conisch 1889
Octaaf 2’ L XIXA
Cornet IV Discant 1890, vanaf c1
Trompet 8’ 1889
Positief (I, lade C,D-f3)
Bourdon 8’ C,D-c hout, 1889; vervolg metaal L XIXA
Salicionaal 8’ C,D-c gecombineerd met de Bourdon 8’; vanaf cis L XIXA
Fluit 4’ open, cilindrisch; 1889
Piccolo 2’ R XIXA
Aangehangen pedaal (C-g) R XIXA

Manuaalkoppel (trede) 1889

In 1939 won de kerk van Zaandam advies in bij de Nederlandsche Klokken- en Orgelraad vertegenwoordigd door Arie Bouman.
Plannen om het Franssen-orgel te vervangen liepen op niets uit en H.W. Flentrop en Zoon kreeg de opdracht om het instrument te restaureren, te wijzigen en te voorzien van een zelfstandig pedaal. Flentrop bouwde de orgelkas uit tot aan de muur achter het instrument met het oog op het vrije pedaal. Het orgel kreeg een elektrische ventilator en een extra regulateurbalg voor het Positief. De windkanalen werden vernieuwd en het pedaalklavier vervangen door een concaaf exemplaar met een omvang van C tot f1. Het nieuwe Pedaal stond op elektrisch geregeerde kegelladen. De toetstractuur onderging verandering; de trede voor de manuaalkoppel werd vervangen door een registerknop. Er kwam een pedaalkoppel aan het Hoofdwerk.
De toonhoogte was 435 Hz voor a1. Flentrop greep rigoureus in in het pijpwerkbestand.
Dat blijkt uit het volgende overzicht van de dispositie, die bij de ingebruikneming van eind augustus 1940 als volgt luidde:

Hoofdwerk (II, C-f3)
Praestant 8’ nieuw, in front, 70% tin
Bourdon 8’ nieuwe hoeden
Octaaf 4’  
Speelfluit 4’  
Nasard 2 2/3’ nieuw, 40% tin
Nachthoorn 2’ nieuw, 40% tin
Cornet IV Discant  
Mixtuur V st. nieuw
Trompet 8’ nieuw, stevels 50% tin; lepels geel koper met metaalbeleg; bekers bas rood koper, discant 50% tin
Positief (I, C,D-f3)  
Roerfluit 8’ omgebouwd
Openfluit 4’  
Praestant 2’ oude Octaaf 2’ van het Hoofdwerk
Scherp IV st. nieuw
Pedaal (C-d1)
Subbas 16’ afkomstig uit het Hoofdwerk
Gedektbas 8’ unit met de Subbas 16’
Octaafbas 8’ nieuw, zink
Koraalbas 4’ nieuw, unit met de Octaafbas 8’

manuaalkoppel
pedaalkoppel

De Mixtuur (HW) was op 1 1/3-voets basis, zonder dubbelkoren, met repetities op c, c1, c2 en c3.
De door Bouman ontworpen samenstelling van de Scherp was uiterst curieus:

C 1/2-1/3-1/4-1/7;
E 1/2-1/3-1/4-1/6;
Gis 2/3-1/2-1/3-1/5;
c 2/3-1/2-1/3-1/4;
e 1-2/3-1/2-2/7;
gis 1-2/3-1/2-1/3;
c1 1 1/3-1-2/3-2/5;
e1 1 1/3-1-2/3-1/2;
gis1 1 3/5-1 1/3-1-4/7;
c2 1 3/5-1 1/3-1-2/3;
e2 2-1 3/5-1 1/3-4/5;
gis2 2-1 3/5-1 1/3-1;
c3 2 2/3-2-1 3/5-1 1/7;
e3 2 2/3-2-1 3/5-1 1/3.

In de jaren 1950 ontstond onvrede over het karakter van het orgel. De registers uit 1940, in het bijzonder de Mixtuur en de Scherp harmonieerden niet met het negentiende-eeuwse pijpwerk.
Ook vond men de klank niet krachtig genoeg. In 1956 voerde D.A. Flentrop, opnieuw onder advies van Bouman, een herintonatie uit; daarbij werd de samenstelling van de Scherp veranderd en een pneumatische tremulant op het Hoofdwerk toegevoegd.

In 1957/58 onderging het kerkinterieur een drastische verbouwing. Het orgel kreeg bij die gelegenheid een grijze basiskleur.

In 1975 wijzigde D.A. Flentrop andermaal de dispositie, op instigatie van Wim Dorgelo Hzn. De Scherp verdween ten gunste van een Nasard 2 2/3’ en een Terts 1 3/5’ uit de voorraad van Flentrop. De Prestant 2’ verhuisde terug naar zijn oude plaats op het Hoofdwerk. De in 1940 overbodig geworden en verdwenen pijp Cis werd vervangen door de pijp cis’ van de Octaafbas 8’ (Pedaal) uit 1940. De Woudfluit 2’ uit het Standaart-orgel (1914) van de Vinkenstraatkerk in Zaandam nam de plaats in van de Prestant 2’ op het Positief. Ten slotte werd een pneumatische tremulant aan het Positief toegevoegd.
De wijd gemensureerde Nachthoorn 2’ van 1940 (HW) ruimde het veld voor de teruggekeerde Octaaf 2’. Flentrop maakte een koor van de Mixtuur stom en herzag de intonatie van de Trompet 8’. Op het Pedaal verving men de Octaafbas 8’/Koraalbas 4’-unit door een Bazuin 16’/Trompet 8’.
De tongwerkreeks bestond uit pijpwerk van de Trompet 8’ uit het orgel van de Vinkenstraatkerk, aangevuld met een groot octaaf voor de Bazuin 16’ uit voorraad van de orgelmaker.

Een schenking van een gemeentelid in 1984 maakte mogelijk dat het instrument verder in ere werd hersteld. Onder advies van Wim Dorgelo Hzn. werkte Flentrop in 1985/1986 aan het instrument.
De orgelmaker vervaardigde een nieuwe grenen orgelkas achter het oude front; front en kas kregen daarbij een nieuwe kleurstelling. Het Pedaal werd separaat opgesteld achter de nieuwe hoofdkas. De klaviatuur onderging algehele vernieuwing op de oude plaats aan de linkerzijde van de orgelkas. De manuaalvolgorde werd omgedraaid en de pedaalomvang gereduceerd tot C-d1.
De mechanieken werden deels vernieuwd en de behouden delen gerestaureerd. De hoofdwerklade kreeg een nieuwe indeling en werd zo laag mogelijk centraal in de hoofdkas gelegd. Voor het oude Positief maakte men een nieuwe lade en stelde dat op als Bovenwerk.
De regulateurbalg van 1940 verdween. Helaas bleken de gelden niet toereikend om de unitlade van het pedaal te vervangen door een mechanische sleeplade; wel werd de aanleg daarvan technisch voorbereid.
Het pijpwerk werd na onderzoek opnieuw geordend en hersteld. De Roerfluit 8’ (HW) en de Bourdon 8’ (Pos) wisselden van plaats. De Bourdon kreeg daarbij de naam Fluit douce 8’. De Speelfluit 4’ (HW) kwam op het Positief te staan in plaats van de Openfluit 4’. De open plaats op het Hoofdwerk werd ingevuld met een Fluit 4’ uit 1900 van D.G. Steenkuyl.
Deze was in 1976 afgekomen uit het binnenwerk van het orgel van de Westzijderkerk in Zaandam. De Openfluit 4’ (Pos) is opgeschoven en aangevuld tot Woudfluit 2’. De Nasard (HW) werd vervangen door een nieuwe Quint 2 2/3’ en de Trompet 8’ (HW) door een exemplaar van Maarschalkerweerd (1890) uit de Doopsgezinde Kerk van Zaandam. De Terts 1 3/5’ (Pos) is met een nieuwe bas aangevuld. Op het Bovenwerk bleven een Quintadeen 8’ en Vox Humana 8’ noodgedwongen reserveringen.

Nadat de Stationsstraatkerk in 2006 was verkocht, ontfermde Cees van Oostenbrugge zich over het orgel als voorzitter van het college van kerkrentmeesters van de Protestantse Gemeente Zaandam en als directeur van Flentrop Orgelbouw. Het instrument bleef in de kerk staan voor bezichtiging. Eén van de belangstellenden was de Sijpekerkgemeente uit Nieuw-Loosdrecht.
De Sijpekerk beschikte volgens George Hendricus Broekhuyzen Sr. over een harmonium dat in 1854 aangeschaft werd. In 1884 plaatsten Bakker & Timmenga uit Leeuwarden een pijporgel. Het instrument was niet nieuw. Het betrof het oude orgel uit de Hervormde Kerk van Oudkerk, een werkstuk van Gijsbert Harmens Havinck en Harmen Jans uit 1646.
In 1788 en 1816 herstelde Albertus van Gruisen het instrument. Bakker & Timmenga zullen de oude kern gemoderniseerd hebben. De firma M. Spiering uit Dordrecht verving in 1926 het binnenwerk van Bakker & Timmenga voor een nieuw met pneumatische tractuur. Op zijn beurt werd dat weer vervangen door een binnenwerk van Ernst Leeflang uit Apeldoorn in 1964.
Het advies van Aart van Beek (Orgelcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk, 1997) het Leeflang-binnenwerk weg te doen, was het startpunt voor een zoekactie naar een geschikt historisch binnenwerk dat in de kas van 1884 zou komen te staan. In 2006 schreef Peter van Dijk namens de Commissie Orgelzaken voor de PKN een rapport waarin diverse mogelijkheden de revue passeerden.
Uiteindelijk kwam het orgel van de Stationsstraatkerk in Zaandam in het vizier door een tip van COZ-lid Teus den Toom. In 2008 kocht de Loosdrechtse gemeente het instrument aan en verstrekte aan de firma Flentrop Orgelbouw de opdracht tot overplaatsing naar de Sijpekerk. De afmetingen van het instrument waren te groot voor het front van Bakker & Timmenga. Na verkregen monumentenvergunning werd het Bakker & Timmenga/Leeflang-orgel verkocht aan de Protestantse Gemeente Schiermonnikoog.
Architect Paul van Vliet (Nieuw-Loosdrecht) ontwierp een nieuwe kleurstelling voor de kas, ontleend aan die van het Bakker & Timmenga-front.
Het herstel van het snijwerk, het schilderwerk en het aanbrengen van de verguldingen was in handen van de firma G. de Jongh uit Waardenburg. Orgelmaker en schilder kregen assistentie van vrijwilligers uit de gemeente.
De windvoorziening bevat de windmotor van 1940, de magazijnbalg van 1889 en een schokbalgje voor het Pedaal (2009). Al het pijpwerk van de Prestant 8’ is nieuw vervaardigd met mensuren, geënt op die van de Octaaf 4’. De Mixtuur veranderde van samenstelling door het hoogste koor buiten gebruik te stellen. Belangrijke wijziging betrof de vervanging van de tongwerken in Rijnlandse stijl. De Trompet van Maarschalkerweerd bleek niet mooi aan te sluiten bij het labiale pijpwerk.
Als voorbeeld voor de nieuwe Trompet 8’ (HW) diende de Trompet 8’ van het orgel in de St.-Lambertuskerk in Kerkrade (Gebr. Müller, 1848). Voor het toe te voegen tongwerk op het Bovenwerk was er een sterke voorkeur voor een Dulciaan 8’. Omdat daarvan geen negentiende-eeuwse Rijnlandse voorbeelden meer beschikbaar zijn en de Müller-trompet qua mensuratie en factuur nog sterk in achttiende-eeuwse Rijnlandse tradities wortelt, is hier gekozen voor Heyneman-voorbeelden. De Fagot 16’ van het Pedaal is weer op de Dulciaan 8’ gebaseerd. Het Bovenwerk werd verrijkt met een Salicionaal 8’ (vanaf c zelfstandig). Met het oog op een maximale stilistische eenheid is het gelijknamige register in het Müllerorgel te Kerkrade als voorbeeld genomen.
Voor het Pedaal kwam een nieuwe sleeplade en mechanische tractuur. Na proefondervindelijke vaststelling van de winddruk vonden intonatieretouches plaats van met name het twintigste-eeuwse pijpwerk. Van de Terts 1 3/5’ discant (1975) werden de opsneden waar nodig verlaagd. Ten slotte bracht de schilder nieuwe registeropschriften en een cartouche- tekst aan.

Dispositie:
R XIXA = Rijnlands, eerste helft negentiende eeuw
L XIXA = Limburgs, eerste helft negentiende eeuw

Hoofdwerk (I, C-f3; lade R XIXA)
Prestant 8’ C grenen, 1889; Cis-a2 in het front, vervolg op de lade, 2009
Bourdon 8’ C-c grenen, gedekt; 1889. Vanaf cis metaal, roergedekt, L XIXA, roeren 1940
Octaaf 4’ R XIXA; in 1940 halve toon naar boven opgeschoven, in 1986 weer ongedaan gemaakt
Fluit 4’ C-f2 gedekt, vervolg open, cilindrisch, 1900 (Steenkuyl)
Quint 3’ 1986
Octaaf 2’ C,D-f3 L XIXA, Cis 1986
Mixtuur III-IV st. 1940, in 2009 herzien
Cornet D IV st. c1 1940 of in 1975 geplaatst; vervolg 1890
Trompet 8’ 2009; metalen stevels, koppen en bekers
Bovenwerk (II, C-f3; lade 1986)
Fluit douce 8’ C-c grenen, gedekt, 1889; vanaf cis metaal, gedekt R XIXA
Salicionaal 8’ C-H gecombineerd met de Fluit douce 8’; 2009
Roerfluit 4’ C-g2 roergedekt, vervolg open, conisch; grotendeels R XIXA, fis2 en g2 1975
Nasard 3’ C-H gedekt; vanaf c open, conisch; in 1975 geplaatst
Woudfluit 2’ open, cilindrisch; C-f2 1889, vervolg 1986
Terts 1 3/5’ C-h roergedekt, in 1986 geplaatst; vanaf c1 open, cilindrisch, fluitmensuur, in 1975 geplaatst
Dulciaan 8’ 2009
Pedaal (C-d1; lade 2009)
Bourdon 16’ C-h grenen, gedekt; 1889; vanaf c1 metaal, gedekt L XIXA
Bourdon 8’ C-d gecombineerd met de Bourdon 16’; vanaf dis zelfstandig; metaal, gedekt, L XIXA
Fagot 16’ 2009; groot octaaf met ronde mahoniehouten koppen

Werktuiglijke registers
tremulant (1986, opliggend)
koppelingen HW-BW, Ped-HW, Ped-BW
toonhoogte a1 = 440 Hz
winddruk: 65 mm Wk
stemming: evenredig zwevend

Samenstelling Mixtuur
C 1 1/3 1 2/3
c 2 1 1/3 1
f 2 2/3 2 1 1/3 1
c1 4 2 2/3 2 1 1/3
c2 4 4 2 2/3 2
Samenstelling Cornet
c1 4 2 2/3 2 1 3/5

Bron: Peter van Dijk, Eindverslag orgelproject Sijpekerk te Nieuw-Loosdrecht 2007-2009; Utrecht 2009. Welwillend ter beschikking gesteld door de auteur; delen van dit artikel zijn woordelijk overgenomen uit het verslag.