Artikelen

 

Eddy Mul Bachs ‘Kleines harmonisches Labyrinth’ – Uitdrukking van een  goddelijk geheim
Het ORGEL 104 (2008), nr. 5, 16-21 [samenvatting]

 

Het Kleines harmonisches Labyrinth (BWV 591) van Johann Seb. Bach kent drie delen: Introïtus – Centrum – Exitus. Analyse van de vorm en de harmoniek van de compositie kan ertoe leiden om de eerste dertien maten van de compositie te zien als het eigenlijke labyrint. In het daaropvolgende korte polyfone gedeelte zou de wandelaar voorgesteld kunnen worden door middel van de (dalende) kleine secunde. Het passagewerk, afgewisseld door akkoorden, is uitdrukking van de wandeling door het labyrint, waarbij de wandelaar in het Centrum uitkomt. In het beschouwende Centrum-deel klinkt de kleine secunde (metafoor voor de wandelaar) stijgend en dalend, waarbij akkoorden met veel voortekens niet gebruikt worden omdat deze akkoorden de struiken van het labyrint symboliseren. De Exitus verloopt rustiger dan de Introïtus.
Met zijn labyrint-compositie sloot Bach aan bij een de discussie over de betekenis van de verbouding mi-fa (kleine secunde). Theologisch moet BWV 591 mogelijk gezien worden tegen de achtergrond van een oude kerkelijke traditie waarbij het labyrint een metafoor is voor de ziel in zijn moeitevolle levensreis (vgl. ook het fa-mi interval). Bach heeft als het ware het arcanum Divinum (= goddelijk geheim) van ‘fa-mi et mi-fa est tota Musica’ en het arcanum Divinum van de genade van het Woord Gods op elkaar gelegd.