Artikelen

 

Ewald Kooiman Vingersubstitutie en pedaalapplicatuur in de 19de eeuw
Het ORGEL 100 (2004), nr. 3, 5-15 [samenvatting]

 

Algemeen wordt aangenomen dat vingersubstitutie (stomme vingerwisseling) bij 19de-eeuwse orgelmuziek gebruikelijk is. Jacques van Oortmerssen meent in zijn Organ Technique (Gotenburg 2002) dat dit onjuist is. Hij verwijst daarbij naar Studien für Harmonium van August Reinhard, maar daarin wordt vingersubstitutie niet slechts bij uitzondering voorgeschreven; bovendien is het de vraag in hoeverre regels betreffende harmoniumspel ook voor organisten gelden. Ook verwijst Van Oortmerssen naar een artikel in L’Orgue van Marie-Louise Jaquet uit 1988 over vingerzettingen van César Franck bij Bach; zij constateert evenwel veel substitutie, evenals Karen Hastings overigens (in The American Organist in 1990), die dezelfde materie uitvoeriger bestudeerde. De orgelscholen van Friedrich Wilhelm Schütze en August Gottfried Ritter bevestigen dit beeld, evenals die van Johannes Worp. Voor Van Oortmerssens stelling is dus geen enkele steun te vinden.
Een andere stelling die Van Oortmerssen in zijn boek poneert, is dat de hak bij pedaalspel in de 19de eeuw slechts zelden werd gebruikt. Inderdaad is de tendens in de 19de eeuw om met de punt te spelen, maar toch werd de hak frequent gebruikt, zoals blijkt uit onder meer de orgelschool van Ritter (die Van Oortmerssen ontoereikend citeert), de pedaalapplicatuur van Franck in werken van Bach, en de transcripties die Van Eyken maakte van enkele delen uit Bachs Wohltemperierte Clavier. Ook de werkelijkheid van de pedaalbehandeling in de 19de eeuw is dus gecompliceerder dan Van Oortmerssen suggereert.