Artikelen

 

Lex Gunnink De orgelwerken van Jaap Dragt
Het ORGEL 99 (2003), nr. 5, 15-24 [samenvatting]

 

Jaap Dragt (1930-2003) studeerde orgel bij Jacob Bijster aan het Conservatorium in Amsterdam. Van 1961 tot 1987 was hij hoofdvakdocent orgel aan het Conservatorium in Zwolle.
In Dragts œuvre zijn drie fasen te onderscheiden. In de eerste (tot circa 1966) en de derde (vanaf circa 1980) staat de kerkmuziek centraal; de periode daartussen staat meer in het teken van grote, niet-koraalgebonden muziek, gecomponeerd met in gedachten het klankpalet dat in de 18de en 19de eeuw door Franse orgelmakers ontwikkeld was. Dragt bleef zijn voorkeur voor de Franse orgelbouw ook in zijn derde periode trouw.
Dragt onderzocht in zijn muziek met name de mogelijkheden van metriek, ritmiek, harmonie en tonaliteit. Hij noteerde aanvankelijk nog maatstrepen, daarna mensuurstrepen en tenslotte in het geheel geen strepen meer. Met kleine aanwijzingen gaf hij aan welke noten een fractie verlengd of verkort dienden te worden. Zijn akkoorden bouwde Dragt onder meer op door kwinten te stapelen; daarmee verwant is zijn voorkeur voor het toevoegen van secundes en sexten, ook in slotakkoorden. Akkoorden die niet in een toonaard ‘thuishoorden’, gebruikte Dragt graag; ook werkt hij wel met polytonaliteit. Aanvankelijk werd hij in dit alles beïnvloed door componisten als Hindemith, Distler en Micheelsen; later, in de tweede periode, kwam daarbij de invloed van Jacob Bijster bij. 
Het œuvre van Jaap Dragt is door dit alles opvallend binnen de Nederlandse orgelmuziek van de 20ste eeuw. Het is tevens opvallend onopvallend, omdat het te weinig in concerten te horen is.