Artikelen

 

Nicholas Thistlethwaite Het Engelse kathedraalorgel in de 20ste eeuw
Het ORGEL 97 (2001), nr. 4, juli/augustus 30-40 [samenvatting]

 

Chichester cathedraal Mander 1986De geschiedenis van het Engelse kathedraalorgel begint in 1896, toen Robert Hope-Jones het orgel in de kathedraal van Worcester opleverde. Hij paste elektriciteit toe en plaatste afdelingen van het instrument in verschillende delen van de kerk, die samen bespeelbaar waren vanaf één speeltafel. Dit had te maken met de ontwikkeling van de muziekcultuur in de kathedralen, die omstreeks die tijd in een stroomversnelling kwam en in de 20ste eeuw doorzette. Uiteindelijk werden kathedralen plaatsen waar diverse soorten erediensten op verschillende plekken in de kerk plaatsvinden, alsook concerten en muziekcongressen.

Twee problemen spelen de orgelbouwer daarbij parten: waar plaats ik het orgel, en hoe regel ik de aansturing ervan. Hope-Jones borduurde in Worcester voort op oplossingen van Willis; nieuw was zijn keuze voor elektriciteit. Dit is om drie redenen belangrijk. Het maakte het mogelijk het formaat van orgels te laten toenemen ondanks de beperkte ruimte voor orgels in kathedralen; tevens kon de speeltafel zo geplaatst worden dat de organist een juiste indruk kreeg van zijn spel; en tenslotte was het mogelijk sterke orgelafdelingen daar te plaatsen waar ze nodig waren: bij de gemeente, om de gemeentezang te leiden. Een effect van de groei van het formaat van orgels was dat speelhulpen belangrijker werden. Daardoor werd het ontwerpen van speeltafels een zeer belangrijk aspect van orgelbouwprojecten.

Er zijn drie perioden in de Engelse kathedraalorgelbouw, die samenhang met het regeerwerk: tot 1920 waren de orgels pneumatisch, daarna tot 1975 elektropneumatisch en vanaf 1975 is er tevens aandacht voor mechanische orgels. In periode één en twee beïnvloedde met name de firma Harrison & Harrison het kathedraalorgeltype, onder meer met het Royal Festival Hall-orgel in Londen (1954), ten aanzien van de ontwikkeling van mechanische trakturen in periode drie is vooral Mander belangrijk (Chichester Cathedral, 1986, Chelmsford Cathedral, 1995).

Het is te hopen dat de 21ste eeuw het reuzenorgel afwijst en kiest voor afzonderlijke instrumenten in een kathedraal. Daarmee zou de door Hope-Jones ingezette ontwikkelingen voltooid en afgesloten kunnen worden door enerzijds zijn keuze voor elektriciteit (deels) over te nemen en anderzijds zijn keuze voor overal en nergens geplaatste orgelafdelingen af te wijzen.