Artikelen

 

Jan R. Luth Het orgelgebruik in de 17de eeuw
Het ORGEL 95 (1999), nr. 3, 5-8

 

Toen de gereformeerden na de Reformatie de beschikking over de grote stadskerken kregen, moesten ze bepalen wat ze met de orgels zouden doen. Aanvankelijk werd orgelspel veroordeeld: de synode van Dordrecht in 1578 wilde de orgels zelfs uit de kerken laten verwijderen. Dit plan werd niet uitgevoerd. Op bevel van de overheid, veelal eigenaar van de orgels, werden de instrumenten voor en na de kerkdienst bespeeld. Vanwege klachten over hetgeen de organist speelde, kwamen er instructies. Bekend is de instructie van Eustachius Hackert te Culemborg. Hij moest voor en na de dienst met name de psalmen spelen die in de dienst werden gezongen. Het op het orgel begeleiden van de gemeentezang werd vóór 1632 ingevoerd in Friese en Groningse kerken; mogelijk was het 1628 al gebruikelijk in de Martinikerk te Groningen. Vóór 1636 werd de gemeentezang ook in de Hooglandse Kerk te Leiden begeleid; enige tijd later volgde de Pieterskerk in dezelfde stad. In Arnhem werd de gemeentezangbegeleiding in 1636 ingevoerd. Omdat het samen klinken van orgel en gemeente tot chaos leidde, werd de orgelbegeleiding in Maastricht in 1645 afgeschaft. Hetzelfde probleem speelde elders ook: Constantijn Huygens publiceerde Gebruyck of ongebruyck van 't orgel in de kerken der Vereenighde Nederlanden (1641) om orgelbegeleiding te propageren. In de meeste stadskerken werd de gemeentezangbegeleiding in de tweede helft van de 17de eeuw geleidelijk ingevoerd.