Artikelen

 

 

Arie de Wit De klank van ons koninklijk instrument
Het ORGEL 94 (1998), nr. 6, 24-30 [samenvatting]

De klank van een orgelpijp wordt bepaald door de grondtoon en de boventonen die in het geluid voortkomen en door de aan- en de afspraak. Boventonen bepalen de kleur, de grondtoon bepaalt de toonhoogte van de toon. De karakteristieken van de klank van een pijp kunnen met meet- en analyseapparatuur worden vastgelegd en zichtbaar gemaakt in een grafiek, waarin op de x-as de frequentie(s) van de toon en op de y-as de kracht van grondtoon en boventonen worden uitgezet. Zo kunnen we zien welke grondtoon en welke boventonen in de klank voorkomen en hoe sterk ze zijn. Deze metingen kunnen we zeer snel na elkaar uitvoeren en vervolgens al die plaatjes achter elkaar zetten. Er ontstaat dan een drimensionaal figuur met op de z-as de tijd. Hierin wordt zichtbaar hoe tonen ontstaan (aanspraak), klinken en vervolgens uitsterven (afspraak).

Een orgelpijp spreekt niet doordat wind tegen het bovenlabium aan blaast. Het werkt anders: de strook lucht die uit de kernspleet komt beweegt na het verlaten van de kernspleet heen en weer. Als de luchtstrook naar binnen gaat, ontstaat een luchtgolf in de pijp. Net als bij een stethoscoop wordt deze golf niet verzwakt. Er ontstaat een staande golfbeweging, waarvan de frequentie de toonhoogte van de pijp bepaalt.

De toonhoogte van een labiaalpijp is verder afhankelijk van de geluidssnelheid. Als de temperatuur verandert, verandert ook de geluidssnelheid en daardoor de toonhoogte van de pijp. Omdat bij tongwerken de toonhoogte vooral bepaald wordt door de lengte van de tong, is de toonhoogte van tongwerken veel minder gevoelig voor verandering van temperatuur. We stemmen echter de tongwerken omdat dit eenvoudiger is en er minder van zijn.