Artikelen

 

 

Stef Tuinstra Schnitger, de Europese orgelmaker van verleden en heden
Het ORGEL 94 (1998), nr. 4, 34-42 [samenwerking]

De huidige kennis over Schnitger laat zich in beeld brengen aan de hand van drie stellingen.

1. Er is geen sprake van 'het' Schnitger-orgel. Er zijn drie perioden. In de periode tot eind jaren 1690 is de invloed van Huesz, Scherer en Fritzsche merkbaar, op hun beurt geïnspireerd door Van Covelens en Niehoff. In de periode vanaf eind jaren 1690 tot begin jaren 1710 wordt de bas van de prestanten luider, de discant snijdender, de tongwerken donkerder en daarom de mixturen scherper. Vanaf begin jaren 1710 worden de tongwerken nog wijder, de mixturen nog hoger. De mensuren variëren van zeer wijd tot zeer eng.

2. Ons beeld van Schnitger is nog altijd niet volledig. Een Schnitger-orgel is niet een optelsom van stoere en boerse geluiden, maar pijpen in originele staat worden gekenmerkt door correcte aanspraak, evenwichtige toonsterkte en toonkleurwisseling per registerligging, dit in combinatie met een ruime wind. Strakke wind was van aanmerkelijk minder belang dan in de 19de en 20ste eeuw.

3. Veel van de in bredere kring populaire Schnitger-orgels zijn in artistiek en technisch opzicht niet of niet volledig in hun oorspronkelijke staat teruggebracht, maar bevatten magazijnbalgen in plaats van spaanbalgen, te wijde windkanalen, modern gemaakte pijpen, te hoge winddruk etcetera.

Kenmerkend voor goed gerestaureerde Schnitger-orgels zijn onder meer een zoet zingende klank, niet 'prikkende' maar 'ruisende' mixturen, niet een totaalklank die massief op het oor 'drukt', maar één die soepel en dragend de ruimte met klank vult.