Artikelen

 

Jan R. Luth Het orgelgebruik in de tijd van Arp Schnitger (1648-1719)
Het ORGEL 94 (1998), nr. 4, 9-15 [samenvatting]

De taak van de organist bestond in Schnitgers tijd in Duitsland in het spelen van intonaties voor de liturgische gezangen, het afwisselend met de gemeentezang spelen en orgelspel na de dienst. Begeleiding van de gemeentezang is omstreeks 1700 in het noorden alleen in sommige steden gedocumenteerd.

In Nederland dateren de eerste berichten over gemeentezangbegeleiding uit de eerste helft van de 17de eeuw. De opvatting van de synode van Dordrecht (1574) - het orgelspel doet vergeten wat men gehoord heeft en is te vergelijken met spreken in tongen - had veel invloed: nog in de 19de eeuw stond in minder dan de helft van de kerkgebouwen in Nederland een orgel. Schnitgers activiteit in Nederland valt dus in een periode waarin met betrekking tot het gebruik van het orgel in de liturgie een acceptatieproces gaande was.

Koraalboeken als die van Witvogel (1730), Van Blankenburg (1732) en Hurlebusch (1746) geven inzicht in de manier waarop de gemeente in Nederland werd begeleid. Zo blijkt dat tongwerken eerder dan samengestelde vulstemmen werden getrokken. Ook werd de cantus firmus wel op een apart manuaal gespeeld, vaak met de Sexquialter of met de Cornet.

Het Schnitger-orgel in Harkstede (1695).
Het is niet zeker of dergelijke orgels voor gemeentezangbegeleiding werden gebruikt
Foto Jack Schroevers

Schnitger disponeerde geen Cornetten; zijn Sexquialters hadden vermoedelijk een Mixtuurfunctie. Ook omdat het orgel in Duitsland in Schnitgers tijd veelal een solistische functie had, is het daarom zeer de vraag of dat in Nederland anders was. Gemeentezangbegeleiding is ook in Nederland alleen bekend van de praktijk in de stadskerken; de praktijk in dorpen is moeilijk te documenteren.