Artikelen

 

Ewald Kooiman Hoe speelde Mendelssohn orgel?
Het ORGEL 93 (1997), nr. 9, 6-12 [samenvatting]

Voor een antwoord op de vraag hoe Mendelssohn orgel speelde bespreekt de auteur eerst een aantal mogelijkheden om informatie te verkrijgen over het spel van figuren uit het verleden: bestudering van gegevens over de inzichten en opvattingen van de leraar van de persoon in kwestie kan informatie geven. Echter, een leerling speelt niet noodzakelijkerwijze zijn hele leven lang zo als hij in zijn studietijd heeft geleerd. Je kunt proberen getuigenissen te vinden van tijdgenoten die de persoon om wie het gaat hebben gehoord. Deze getuigenissen moeten altijd kritisch worden benaderd: wie was degene die de uitspraken deed, wat was zijn oordeelsvermogen en gezag? Een derde mogelijkheid is de context te bestuderen, in dit geval orgelmethodes van tijdgenoten. Voor Mendelssohn levert de eerste benaderingswijze op, dat hij via zijn orgelleraar A.W. Bach vrijwel zeker in aanraking is gekomen met spelpraktijken uit de 18e eeuw. In hoeverre hij deze zijn leven lang heeft toegepast is een vraag zonder definitief antwoord.

Uit voornamelijk Engelse bronnen valt op te maken dat het orgelspel van Mendelssohn zeer levendig en energiek was, met veel gevoel voor afwisseling in registratie. Bij bestudering van orgelmethodes van tijdgenoten moet onderscheiden worden tussen auteurs die de galante richting aanhangen en representanten van een op Bach en de klassieke tradities georiënteerd orgelspel. Op basis van Rinck (opus 121) en van Werner (Orgelschule) valt aan te nemen dat Mendelssohns vingerzettingen wortelden in oudere tradities. Het beeld dat de Orgelschule van Johann Scheider geeft wijst op een vermenging van oud en nieuw. De vingerzettingen in de Peters-uitgave van Mendelssohns orgelwerken geven een totaal verkeerd beeld van de vingerzettingen uit Mendelssohns tijd.